Glutenvrij

Standaard

Mag ik bestellen? O, fijn. Ja, heerlijk zo lekker buiten in het zonnetje. Echt een cadeautje. Hoe heet je? Frank? Nee Frank, één menukaart is genoeg, ik ben alleen. Ja graag, doe maar een groot glas water. Lauw, met citroensap, daar wordt mijn darmflora echt enorm blij van. Maar dan wel wáter water hè, niet uit de kraan. Natuurlijk bronwater. Gefilterd, gesteriliseerd, plastic soep vrij getest en het liefst met een vleugje zwavel, oké?

Dank je, zalig. Ja, ik heb een keuze kunnen maken: ik vind jou eigenlijk wel lekker. Hoe oud ben je? Oeps, ik heb een zoon van jouw leeftijd. Sorry hoor Frank, ik ben echt zo aan het flirten de laatste tijd. Schaamteloos gewoon. Zou je ook vaker moeten doen. Je weet niet wat je overkomt. De lotus in jezelf openen, for everyone to see. Ik kan het ie-de-reen aanraden.

O, zie je het aan me? Dank je (zucht). Ik heb best een moeilijke tijd achter de rug, dat mag je best weten. Zo’n vechtscheiding hakt er echt in. Maar weet je wat me er doorheen heeft gesleept? Klankmeditatie. Zo verrijkend. Ik wist niet dat ik zo veel geluiden in me had, al die spanningen die los trillen.

Jezus, moet je mij horen. Waarom vertel ik dit eigenlijk allemaal tegen jou? Luister, Frank. Ik ben geen makkelijke eter. Ik geef het eerlijk toe. Dus als ik naar jullie kaart kijk, dan heb ik daar een probleem mee. Je moet het zo zien: eigenlijk ben ik een vogel. Zoveel mogelijk zaadjes, besjes en nootjes, daar word ik blij van. Superfoods, precies. Rauwe bijenpollen en moerbeien zijn ook heerlijk. Maar gojibessen blijven mijn favoriet. Lekker veel antioxidanten. En chiazaadjes. Zo voedzaam.

Dus wat ik eigenlijk zoek, is meer iets in de hoek van raw foods. Plantaardig, weet je wel. Geen kunstmatige kleurstoffen of e-nummers. Niet gekookt, gestoomd of gebakken. Rauwe bietensalade bijvoorbeeld. Of boerenkoolchips. Misschien een gegrild aardpeertje. Of anders advocadopuree met radijskiemen en een scheutje volle Demeter melk als je hebt, die is tenminste niet gehomogeniseerd. Vraag maar aan mijn orthomoleculair therapeut, die zweert erbij. En de olijfolie extra vergine het liefst. Biodynamisch koudgeperst.

En geen gluten, daar word ik echt dood en doodziek van.

O, dat moet je even checken met de keuken? Oké, ik wacht wel. Vraag dan gelijk even of jullie ingrediënten duurzaam verbouwd zijn. Ja, je kunt erom lachen, maar ik vind het fijn om te weten dat ik iets eet waarover is nagedacht. Dat wereldwijd gesleep met grondstoffen is nergens voor nodig, vind je ook niet? In kringlopen denken, daar gaat het om. Cradle to cradle. Moeder Aarde zorgt voor mij, dan zorg ik ook voor Haar.

Wat dat betreft kunnen wij hier nog zó véél leren van die inheemse stammen. In de Amazone en zo, weet je wel. Die mensen leven al tig duizend jaar op hetzelfde stukje grond. Die kennen ieder geneeskrachtig plantje en ieder bijzonder besje dat groeit daar in die jungle. Ik weet zeker, als je ze vriendelijk zou vragen Heb je iets tegen kanker of aids of zo, dan rennen ze het bos in en komen ze twee minuten later terug met een of ander boomsapje waar wij nog nóóit van hebben gehoord. En hup, binnen no time werkt je immuunsysteem weer als een tierelier. Weg gezwel.

Je gelooft me niet hè? Maar die mensen zijn zo wijs, zo oer, je hebt geen idee. Help ze nou. Ben je al lid van Survival International?

Ah, daar ben je weer. Verse haring met uitjes en zuur? Als voorgerecht? Prima. Proteïne bom. Omega-3 vetzuren. Heerlijk. En lekker veel extra vitamine D. Je hormoonhuishouding, je zenuwstelsel én je humeur kikkeren er enorm van op. Kijk naar mij, ik straal nú al. Maar niet meer dan 100 gram alsjeblieft. Die 200 kcal die er in zitten tikken natuurlijk wel aan. En ik moet er niet aan dénken om over mijn calorieën grens heen te gaan. Dan lijk ik morgen op Kirstie Alley en kan ik mijn hele garderobe weggooien en maatje soepjurk gaan kopen.

Één vraagje: is ie wel duurzaam organisch gevangen?

Dat kan de kok niet garanderen? Oké, doe dan maar een schaaltje amandelnootjes, ongebrand, en de rekening.

Mag ik je één tip geven, Frank? Ik zie aan hoe je staat dat je gebukt gaat onder een onzichtbare last. Volgens mij houd je je vooral staande, maar kom je niet echt aan leven toe, klopt dat? Zou je niet liever soepeler in het leven willen staan? Minder in je hoofd willen zitten? Meer leven in je lijf? Ja hè.

Bel me, dan gaan we samen op reis door jouw lijf en jouw leven. Lichaamswerk doen. Echt, als je contact wilt maken met jezelf in een veilige, respectvolle omgeving, dan moet je bij mij zijn. Het levende, voelende lichaam, daar gaat het om, toch? 🙂

Hier is mijn kaartje. Wil je ‘m niet?

😦

Je vindt me zeker te dik hè.

 

 

Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen

Standaard

 

Wat weet ik van Roemenië? Weinig. Dracula komt ervandaan. Om redenen die alleen de corrupte ziel van FIFA voorzitter Joseph Blatter kent, zit het land opvallend vaak bij Nederland in de poule. En het vliegveld van de hoofdstad Boekarest is met voorsprong het meest deprimerende vliegveld waar ik ooit een zoet transfer uurtje heb doorgebracht. Eindeloze rijen kapotte witte plastic stoelen in een zweterige, casco opgeleverde fabriekshal zonder airco. Pijnlijk felle tl-verlichting die de Amerikanen later voor een koopje overnamen om gevangenen in Guantanamo Bay mee wakker te houden. Een piepende megafoon waarin een hysterische Tori Amos stem in krom Engels Fight KL452 reazy vor boaring! schreeuwde. Ongelooflijk gore toiletten. En, to top it all off, als enige consumptie mogelijkheid voor alle twintigduizend wachtende passagiers (vertragingen en afgelaste vluchten waren eerder regel dan uitzondering) één kapotte koffieautomaat.

O ja, en Ceausescu. Een soort Kim Jong-il avant la lettre maar dan in de Karpaten, inclusief heropvoedingskampen en bij elkaar verzonnen bio van uitverkoren goddelijk leiderschap, toen Roemenië nog een openlucht gevangenis was in de schaduw van het IJzeren Gordijn, hermetisch afgesloten voor de buitenwereld. Gruwelstaat pur-sang, als we de verhalen van de enkeling die erin slaagde het land te ontvluchten mochten geloven, waarin de Securitate en de martelkamer de dienst uitmaakten en iedereen doodsbang was om verraden te worden: zelfs je vrouw en kinderen kon je niet vertrouwen. En in deze zelfverklaarde communistische heilstaat leefde de Heilige Nicolae Ceausescu in marmeren paleizen met gouden badkranen. De uitpuilende schoenenkast van zijn Spuuglelijke Vrouw Elena wedijverde met die van haar Filipijnse collega dictatorvrouw Imelda Marcos, terwijl het volk voor een hongerloontje knopen telden in staatsfabrieken, gras at, gesmolten sneeuw dronk en bij bosjes tegelijk het loodje legde. Totdat datzelfde volk het niet langer pikte, het recht in eigen handen nam en de Dracula dictator (samen met zijn Spuuglelijke Vrouw) door een volkstribunaal ter dood werden veroordeeld en in december 1989 live op tv stierf voor een vuurpeloton, een bewijs eens te meer van de wijsheid van Bob Marley, die zong You can fool some people sometime/ but you can’t fool all the people all the time.

iphone begin sept 2014 020

De Roemeens/Duitse schrijfster Herta Müller (1953) ontvluchtte het Roemenië van Ceausescu in 1987 en vestigde zich in Duitsland. Ze won daar zo’n beetje alle literaire prijzen die er te winnen zijn. In 2009 ontving ze de Nobelprijs voor de Literatuur. Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen is de eerste die ik van haar las. Het is een vrij dun boekje, maar ik ben een langzame lezer, heb er drie weken over gedaan, iedere avond zo’n 10 pagina’s, alsof ik kauwde op een door en door voedzame spelt boterham, iedere dag een klein hapje.

Het uitgebeende plot is simpel: een naamloze jonge vrouw moet zich om tien uur ’s ochtends melden bij de Roemeense geheime dienst. Ze stapt op de tram. Onderweg haalt ze herinneringen op aan haar ouders en grootouders, haar eerste man en een overleden vriendin. Als de tram haar halte mist en ze dreigt haar afspraak te missen, ziet ze haar geliefde Paul op een onverwachte plek “waar de tuinen te klein zijn voor grote bomen.”

Een van de eerste zinnen is: “Paul heeft niet gemerkt hoe bang ik ben dat Albu mij vandaag naar de cel onder zijn kantoor zal brengen.” Zojuist las ik de laatste zin: “Ha ha, niet gek worden.” Het eerste wat ik deed, was teruggaan naar bladzijde 1 en opnieuw beginnen met lezen.

Ik ben er totaal kapot van, zo goed als dit boek is. Met stip dendert het mijn Top 20 binnen van Allerbeste Romans Aller Tijden, naast onder meer De hongerende weg van Ben Okri, D.M. Thomas’ Het witte hotel, Petersburg van Andrei Bely, Onzichtbare man van Ralph Ellison, Michel Tournier’s De Elzenkoning, De maagd Marino van Yves Petry en de novelle Een dier houden van Kenzaburo Oë.

(Daarnaast ben ik ook verschrikkelijk boos op mevrouw Müller: ze is zo angstaanjagend goed dat ze 1) me als collega-schrijver het gevoel geeft dat ik er beter aan doe om te stoppen en toiletjuffrouw te worden in Paradiso en 2) me bijna doet verzuchten: waarom ben ik niet geboren in een dictatuur, in Syrië of Noord-Korea of de Gaza strook of zoiets, het is niet eerlijk, mijn veilige, aangeharkte leventje hier in Nederland is te onbenullig, te onbelangrijk om als schrijfmateriaal te kunnen dienen, nee, opgroeien in extreem moeilijke maatschappelijke omstandigheden slijpt pas echt de geest, onderdrukking en oorlog, ballingschap en immigranten schizofrenie werken kennelijk als aardlagen op elkaar in: de hoge druk produceert kunst sieraden, Mahmoud Darwish-smaragden, Jhumpa Lahiri en Zadie Smith-robijnen, Müller-diamanten. Maar dan bedenk ik me dat, hoe goed ook, niemand zit te wachten op een tweede Müller, maar wel op een unieke Ignacio, pak ik mijn laptop en werk vrolijk verder aan mijn eigen blogs en korte verhalen).

Wat maakt Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen zo indrukwekkend?

Ten eerste: iedere punt en iedere komma is beklemmend. Ieder woord, iedere zin staat onder adembenemende hoogspanning. Zowel voor de personages als voor de lezer als voor de schrijfster telt iedere nanoseconde. Dit verhaal, dat in wezen een verhaal is over angst, moet en zal verteld worden. De urgentie druipt van iedere spatie en witregel af. Iedere daad, ieder woord van ieder personage schuurt, bedekt, onthult, verraadt. Iedere verkeerde beweging kan verlies van baan, verdwijning, of oproep tot verhoor betekenen. En tijdens een verhoor kun je overal van beschuldigd worden, zonder hoor of wederhoor, en terecht komen op de Lijst van Vermisten. Onderdanigheid en gehoorzaamheid aan het Systeem. De cultus van de angst. Het breken van het individu. Alles onderdrukken wat opstijgt uit de grijze massa. Daar kickte Ceausescu op.

(De urgentie van een literaire tekst, in vorm en inhoud, is wat mij betreft een halszaak: ontbreekt deze, dan is er wat mij betreft überhaupt geen sprake van literatuur, maar van lectuur. Ik las laatst bijvoorbeeld “De tien”, een verzameling korte verhalen van de tien meest veelbelovende jonge Nederlandse schrijvers (Maartje Wortel, Philip Huff, Hanna Bervoets etc.), samengesteld door het hippe literaire tijdschrift Das Magazin. Best aardig gedaan, Özcan Akyol, en chapeau Daan Heerma van Voss, maar wat me vooral opviel bij deze zogenaamde fin de fleur van de Nederlandse literatuur is dat iedere noodzaak ten ene male ontbrak. Als geïrriteerde en uiteindelijk moedeloze lezer vroeg ik me af Waarom moet ik deze shit in godsnaam lezen, er staat helemaal niets op het spel, niet in de stijl noch in de vertelling, de personages laten me volstrekt koud, wat een godvergeten bagger, deze troep had net zo goed niet geschreven kunnen worden.

En ik dacht aan de Nederlands/Indonesische schrijver Tjalie Robinson, een persoonlijke held van mij, die in de jaren zestig in een brief aan Rini Neuberger al schreef: “Er is hier en daar een klein beetje verrekte goeds, maar dat is per sé op geen stukken na maatgevend voor de Hollandse literatuur. Als je Rashomon and other stories van Akutagawa [of Herta Müller] leest, krijg je gewoon een schok. Hoe eindeloos veel beter is dat dan wat je hier in Holland onder je snufferd krijgt als literatuur.”)

Ten tweede: God woont bij Müller in het detail. Ieder detail in het verhaal is relevant, maar wordt neergezet met een licht vervreemdende twist zodat het verschijnt in een nieuwe licht, een licht dat de gemoedstoestand weerspiegelt van de jonge vrouw op weg naar het verhoor-theater van de angst, de pijn en de vernedering. Clichés hebben bij Müller geen schijn van kans. Zie bijvoorbeeld deze passage over een bezoek aan de snoepgoedafdeling in een kruidenierswinkel:

“In de boven elkaar staande glazen potten zag ik rode snoepjes waar dode wespen op zaten, daarna roestige scheermesjes, daarna gebroken koekjes, daarna luciferdoosjes, daarna kleverige, groene snoepjes met wespen… Wat daar stond wist niet zeker of het niet iets anders was. De verkoper, alsof lucifers, scheermesjes, kleverige snoepjes en koek een mens waren geworden die straks weer uit elkaar zou vallen. Honderd gram van die zoete scheermesjes, zei ik.”

Wat een omgeving waarin iedereen elkaar in de gaten houdt, doet met mensen – de paranoia, de misvorming van bijna iedere vorm van intimiteit, de kleine grote daden van verzet – wordt met chirurgische precisie ontleed, zonder ook maar een seconde sentimenteel te worden. Er zijn geen slachtoffers in de wereld van Müller, want iedereen is potentieel slachtoffer en dader tegelijkertijd.

Maar the proof of the pudding is in the tasting.

Een herinnering aan een eerder verhoor. “Majoor Albu tilt mijn hand aan de vingertoppen op en drukt mijn nagels zo hard tegen elkaar dat ik wel kan schreeuwen…Als vrouw weet je hoe je er vandaag uitziet. En dat een handkus ten eerste geen pijn doet, ten tweede niet nat is, ten derde op de rug van je hand hoort…Mijn nagels doen pijn, maar hij heeft ze nog nooit blauw geknepen. Ze ontdooien weer, als ijskoude handen die plotseling in de warmte komen. Ik heb het gevoel dat mijn hersenen voorover in mijn gezicht glijden, dat is het gif. Vernedering, hoe moet je het anders zeggen als je je over je hele lichaam barrevoets voelt. ”

De jonge vrouw verlaat haar eerste man. “Hij wilde de volgende ochtend voor twee weken naar de bergen…Midden op de brug bleef hij staan en hij drukte zijn vingers in mijn arm…Kijk eens hoeveel water. Als ik terugkom uit de bergen en jij gaat bij me weg, dan spring ik hier naar beneden. ..Ik schreeuwde: Spring dan meteen voor mijn ogen, dan hoef je niet eerst naar de bergen. Ik haalde adem en boog mijn hoofd naar hem toe. Het was niet mijn schuld dat hij dacht dat ik een kus wilde. Hij deed zijn lippen van elkaar, maar ik herhaalde: Spring, ik draag de verantwoordelijkheid.”

De eerste nacht bij haar geliefde Paul thuis. “Ik stapte uit bed en sloop met mijn kleren in mijn hand de kamer uit. Met kippenvel stond ik in de gang en ik trok mijn kleren over de bedwarmte van mijn huid. Ik wilde gauw mijn schoenen aandoen en verdwijnen voordat Paul wakker werd. Toen deed ik het toch niet. Kunnen blijven zoals die schoenen hier staan, zoals het keukenkastje aan de muur hangt en een fermlichte streep zon op de stoelleuning, die groeit en later op de tafel ligt.”

Een daad van verzet tijdens een vorig verhoor. “Leg je klarinetten op tafel, had Albu gezegd omdat ik aan de grote knoop van mijn blouse zat te draaien…Die dag vond Albu een haar op mijn schouder. Hij hield de haar met twee vingers vast, drie hield hij er uitgestrekt. Hij wilde hem op de grond laten vallen. De vaste haren op mijn hoofd mag hij hebben, om zijn wijsvinger kringelen en mij sleuren waarheen hij wil. Maar de uitgevallen haren hebben te blijven waar ze zijn….ik draaide weer aan mijn grote knoop en zei: Wilt u die haar terugleggen, die is van mij. Wat schrok mijn voorhoofd van mijn eigen stem, wat was ik zeker van mijn straf toen het gezegd was…Hij legde de haar inderdaad terug. Toen schreeuwde hij: Klarinetten op tafel.”

Deze laatste passage is des te ijzingwekkender omdat de jonge vrouw, na een eerder verhoor, tussen de spullen in haar tas een stuk krantenpapier vond, opgerold alsof het een kleine zuurstok verpakte, met erin een afgesneden vinger van een onbekende.

Vandaag was ik mezelf liever niet tegenkomen is een boek dat pijn doet, dat verscheurt, dat wegstuurt van de comfort zone. Het schopt net zo lang aan tegen de nacht tot het druppels daglicht bloedt.

Als de minnaar Paul, na een dreigement van Albu, onder verdachte omstandigheden op zijn motor van de weg wordt gereden door een rode staatsvrachtwagen, weten de jonge vrouw en haar minnaar zeker dat ze nergens meer veilig zijn, wat de jonge vrouw tijdens haar verhoren ook aan bekentenissen aflegt of niet. Tussen de lakens wordt er over de aanslag op Pauls leven met geen woord gesproken. Ze hebben elkaar, zover dat mogelijk is binnen een terreur systeem. Toegeven dat er gezaagd wordt aan de stoelpoten van hun intimiteit door de powers that be, hun liefde staat het niet toe. Dan maar de andere kant opgekeken. Dan maar de schijn van vertrouwen en veiligheid in de slaapkamer hoog gehouden, dat is tenminste iets.

Want iedere stap buiten is een stap een diep duister ongewisse in, een levensgevaarlijk labyrint waarin alleen de allerbeste maze runners niet verdwalen. En zelfs de demente oude buurvrouw weet: “De wereld is groot, hoe moet ik buiten ruiken waar binnen ons huis is.”

Eigen volk eerst

Standaard

Gisteren kwam ik mijn vriendin M. spontaan in het wild tegen tussen de schappen van de AH. Gebruind, uitgerust, zen, straalde ze te midden van de andere opgefokte funshoppers (waaronder ikzelf). Gehaaste types die, bonuskaart in de aanslag, bij de pizzakoeling bijna bezweken aan keuzestress. Zich bij voorbaat al kapot ergerden aan het vooruitzicht van de veel te lange wachtrij bij de veel te slome kassa.

Ik deed mijn koptelefoon af (wanneer ik boodschappen doe, luister ik graag naar keiharde elektronische dancemuziek omdat ik me anders stierlijk verveel). Een warme omhelzing volgde. Vanochtend vroeg teruggekomen van Sardinië, zei ze met een supernova glimlach. Heerlijk eiland, moet je ook eens naar toe joh. Kinderen bij opa en oma achtergelaten, eindelijk eens wat quality time met manlief. Lekker niks doen, flutboekjes lezen op het strand, verse visjes eten, uitslapen. En de seks jongen, we hadden echt wat in te halen.

Heerlijk, verzuchtte ik en laafde me aan haar kersverse batterij vol vakantie-energie.

Dat M. vervolgens opmerkte dat ze nu alweer aan het haast shoppen was, op het punt stond haar kinderen van school te halen, eerder die ochtend op het schoolplein door tig moeders was aangeklampt voor speelverzoekjes hier en paintball verjaardagsfeestjes daar, en dat ze, diep aangetast in haar vakantiegevoel, tegen zichzelf had geroepen ‘Jezus nee, die ratrace, daar gaan we weer…’ , wilde ik liever niet horen.

Ratrace. Ik wist precies hoe ze zich voelde. Ik was net terug van mijn eigen vakantie in tropisch Georgië. Maar ondanks al mijn goede voornemens zo lang mogelijk vaste te houden aan mijn vakantiegevoel, rende ik na een paar dagen alweer als een malloot door de AH in een poging zo snel mogelijk van schap A naar B te komen, het liefst in een rechte lijn, dwars door mijn mede funshoppers heen.

When in Rome do as the Romans do. Maar had mijn gestreste, aangeharkte Hollandse leventje ver weg geleken toen ik die dinsdag weer landde op Schiphol. Don’t worry about a thing, Bob Marleyde ik chill als een mothafucker naast mijn Samsonite rolkoffer. Cause every little thing gonna be allright.

Om twee minuten over twaalf arriveerde de Schiphol trein richting Centraal Station op perron 3. O ja, dacht ik, in Nederland is alles zo keurig georganiseerd. Waar was de verfrissende chaos van het Georgische straatleven? De auto’s, bussen en brommers die elkaar links, rechts en door het midden inhalen? De driedubbele prijs die je als toerist voor een busrit in een masjroetka betaalt omdat je lokale medepassagiers nou eenmaal een stuk minder geld te besteden hebben dan jij?

Ik checkte in met mijn 40%-korting-tijdens-daluren chipkaart. De intercity vertrok precies op tijd en kwam veertien minuten later aan op Centraal. Alles verliep vlekkeloos volgens draaiboek. En toch miste ik de dodemansrit naar Kazbegi door het Kaukasische hooggebergte, plankgas scheurend langs de rand van een kilometer diep ravijn. Een bergkloof, vertelde de chauffeur doodgemoedereerd in een haarspeldbocht, waar pas geleden vier Armeniërs in waren gestort met in hun kofferbak acht ton aan dollarbriefjes (mogelijk witwasgeld hen verstrekt door hun stinkend rijke achternicht, de Armeens-Amerikaanse Kim Kardashian). Een doldwaze kamikazetocht die rond middernacht eindigde met een fles zelfgestookte tsjatsja op de porch van een guesthouse aan de voet van de Kazbegi berg, een rijk gedekte tafel met vers brood, chartsjo en schapenkaas, chinkali en chatsjapoeri, en een welbespraakte toost van de aangeschoten chauffeur op onze veilige aankomst en een leven vol geluk en gezondheid voor mijn kinderen en familie.

Maar wat me het meeste opviel toen ik mijn Amsterdamse leven weer indook, was het gebrek aan Volk, een nationaal geheel, los van een gemeenschappelijke taal, waarin het individu oplost. Op pleinen en feesten, in parken en winkelstraten zag ik vriendenclubjes en doelgroepen, families en gezinnen, congresgenoten, fitnessclubdeelnemers en collega’s, groepjes individuen. Maar nergens een overstijgende eenheid die al deze losse eenheden met elkaar verbindt.

En ik dacht: Als je nieuwe Nederlanders vraagt om de taal te spreken en zich “aan te passen aan onze cultuur” moet je je als land eerst de vraag stellen wat die cultuur precies is. Waar toe men zich dient te verhouden.

Hoe anders had ik in Georgië en andere landen kennis gemaakt met het begrip “volk” – een begrip dat ik gewoonlijk afdeed als lachwekkend achterhaald en gevaarlijk riekend naar Blut und Boden. Wat nou lullig, folklore en volksmuziek? Niks daarvan. Op straat, in de auto of tijdens een etentje in een restaurant barst de Georgiër, jong en oud, spontaan en onbevangen uit in volksgezang, als het even kan begeleid door traditionele instrumenten en volksdans, liederen die iedereen kent omdat ze van jongs af aan met de paplepel zijn ingegoten en een organisch deel uitmaken van de nationale identiteit.

Wat nou speciale buurtactiviteiten voor ouderen en voor jongeren? Wat nou bejaardendisco en jeugdhonk filmavonden? In een donker achterafsteegje in Córdoba stuit je avonds laat op een zelf ingerichte buitenbioscoop met zo’n zestig stoeltjes waar mensen van alle leeftijden, kinderen met ouders, opa en oma, buurtvriendjes en vriendinnetjes samen op een tv scherm naar de film Twelve years a slave kijken, niet omdat er een pop up event is georganiseerd vanuit de gemeente maar omdat het spontaan zo in de straat is ontstaan.

Wat nou kunst elitair? Als je door de straten van Tbilisi rijdt kan iedere taxichauffeur en iedere constructiewerker, iedere basisschoollerares of bankdirecteur je de huizen aanwijzen waar vijftig of honderd jaar geleden die bekende schilder of componist woonde, of de universiteit waar die prachtige dichter of invloedrijke filosoof studeerde, gewoon omdat het onderdeel is van de geschiedenis van je land en je daar trots op bent.

Wat nou, harde mobiele gesprekken in publieke ruimtes en stiltecoupés? In de shinkansen van Kyoto naar Tokyo, als men een mobiel gesprek ontvangt of wil voeren, praat jong en oud fluisterzacht, of, liever nog, staat men op, draait zich om bij de coupédeur, maakt een lichte buiging uit respect naar zijn of haar medepassagiers, en voert het mobiele gesprek in een aparte tussenruimte (meer beleefdheid en innerlijke beschaving= meer rekening houden met elkaar=meer eenheid).

Nee, dacht ik terwijl ik achter de bar van Paradiso drie wodka red bull klaarmaakte voor een clubje hippe studenten op een doelgroep clubavond, hier in Nederland gaat het er heel anders aan toe. Hier leven we met z’n zestien miljoenen hutjemutje boven op elkaar en schermen we, bij gebrek aan ruimte, ons eigen eilandje af. Leven we door het klimaat meer binnen met ons eigen cluppie dan met z’n allen samen buiten op straat. Gaan we er prat op hoe uniek we allemaal zijn, is ieder individu zijn of haar eigen wereld. Is dat hele ‘wij gevoel’ ver te zoeken. Hooguit als onderbuik sentiment, te pas en te onpas aan te zwengelen door rechtse politici met peroxide kapsels of een zwak voor Marokkaanse toyboys.

Behalve als Robben iedereen op het veld zijn hielen laat zien. Kapt, wegdraait, omspeelt, de keeper laat zwemmen en scoort. En de commentator juicht ‘5-1, 5-1, zegt ’t voort!’ en we, in een onbewuste nationaal-historische reflex, Alva en zijn troepen opnieuw een lesje leren.

M. en ik belandden in de wachtrij bij de kassa.

Kom je anders binnenkort bij me eten, vroeg ze, samen met L.. Ben veertig geworden in Italië.

Je zou het niet zeggen, zei ik, en ik meende het.

Ze rekende af, riep Ik bel je!, en weg was ze.

Ik ben erbij, bij dat etentje, zeker weten. Ik hoop dat ze hachee met appeltjes en rode kool maakt, en draadjesvlees. We zullen lachen, we zullen huilen, met een fles zelf gebrouwen jonge dubbele graanjenever op tafel. We zullen dansen op In een groen groen knollen knollenland. Daar was laatst een meisje loos zingen uit volle borst.

Een volk van drie. Je moet ergens beginnen.

 

Mijn Sikh en ik

Standaard

 

Het was bepaald geen negertijd in Tbilisi. Sterker nog, de enige andere roetmop die ik de afgelopen dagen door de bloedhete straten van de Georgische hoofdstad zag lopen, was een Sikh. Je weet wel, zo’n fakir-achtige figuur uit India met een baard en een hoge tulband op waarin zijn ongeknipte haar, lang genoeg om zijn billen mee af te vegen, ligt opgetast als een donkere slang.

Dolblij was ik met mijn Sikh. Eindelijk iemand die mijn woede zou begrijpen. Want vanaf het moment dat ik landde op het Lochini vliegveld van Tbilisi, was een sprinkhanenplaag aan starende, vijandige blikken op mij neergedaald. Midden op straat, in winkels en supermarkten, in restaurants en Georgisch-orthodoxe kerken bleven mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden stilstaan om zich ongegeneerd aan mij te vergapen. De eerste circusaap die ooit voet had gezet op Georgische bodem, zo voelde ik me.

De hele Zwarte Pietendiscussie, de gevoeligheden van het slavernijverleden en de rassenrellen in Ferguson waren kennelijk totaal aan de Georgische bevolking voorbij gegaan.

Die middag op het plein voor de Tsminda Sameda kathedraal had ik mijn taks bereikt. Ik weigerde nog langer te dienen als exotische circusattractie. De eerste de beste Georgiër die mij aan durfde te staren, zou ik aanvliegen. Hem recht in zijn bleke Zuid Kaukasische gezicht schreeuwen dat hij zijn lelijke Stalin ogen (de Russische dictator was van oorsprong een Georgiër uit Gori) in zijn achterzak moest steken.

nikon aug 2014 380

Totdat ik mijn collega circusaap het kerkplein zag oversteken, mijn kant op. Misschien had de Sikh mij – een verwesterde halfbloed Arubaan die de Japanse toerist uithing met zijn spiegelreflexcamera – ook opgemerkt in de mensenmassa. Al was het alleen maar omdat we de enige twee waren die niet spontaan drie kruizen voor onze borst sloegen bij het zien van een God’s huis.

Opgelucht haalde ik adem. Verlossing was onderweg. Ongetwijfeld sprak de Sikh Engels. Bij hem, mijn goudbruine broeder, zou ik mijn hart kunnen luchten over het boze Oog. Het vreemdeling zijn in een vreemd land. Samen zouden we lachen over het feit dat we overal in dit land werden nagestaard. Ach, zouden we zeggen, uiteindelijk meenden deze mensen het niet zo slecht. Het was eerder nieuwsgierigheid, maar dan wel één van de naïeve soort. Hadden ze dan nog nooit in hun leven een kleurling gezien, in levende lijve of op tv?

Maar toen de Sikh mij tot op een paar meter was genaderd, gebeurde er iets vreemds. Plotseling veranderde hij in één grote wandelende spiegel. In zijn bijzijn verdubbelde mijn Anders zijn, werd ik nog meer een Vreemdeling dan ik al was. In de spiegeling van zijn fakir ogen zag ik mezelf tot in het oneindige geweigerd worden voor de deur van een kozakken discotheek.

Op het plein kroop een meisje huilend weg achter het been van haar moeder. Zoals ik het mijn vader had horen vertellen toen hij als een van de eerste Antillianen in Nederland door de geschrokken straten liep van Boxtel en Arnhem. Een pijlpunt van trots, verdriet en schaamte drukte op mijn milt. Toen keek ik weg van de Sikh, vervloekte zijn huidskleur en liep door.

Hebben die Indiërs toch gelijk, dacht ik. Kennelijk, zeggen ze, zijn die Sikhs zo achterlijk dat als je er één langs de kant van de weg ziet staan bij een rijstveld hij zijn best doet de Nobelprijs te winnen. Waarom? Omdat voor die prijs you must be out-standing in your field.

Kortom, zo iemand met wie je nog niet dood op straat gevonden wilt worden.

Iedereen is van de wereld

Standaard

Vorige maand tijdens het Holland Festival stonden twintig uitgeprocedeerde asielzoekers op het podium in de voorstelling Die Schutzbefohlenen van de Oostenrijkse Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek. Jelinek schreef het stuk als reactie op het steeds schrijnender wordende vluchtelingenprobleem in Europa. De voorstelling kreeg een actuele meerwaarde door de rechtzaak die op dat moment diende bij de Amsterdamse rechtbank voor toestemming voor de ontruiming van de Vluchthaven, een voormalig gevangenisgebouw waar een deel van de twintig asielzoekers verbleef. Op 4 juli jl. oordeelde de rechtbank dat de bewoners van de Vluchthaven het pand binnen vier dagen moeten verlaten…

 

 

IEDEREEN IS VAN DE WERELD

Hé jij daar, kom eens hier

Geef me een beetje van je tijd

je hele leven ligt nog voor je

dat zie ik aan je kinderogen

en je lege flesje bellenblaas

Loop niet weg

Ik doe je niks

dat zweer ik op mijn vaders graf

Waar zijn je ouders?

Verderop bij die kraam daar?

Blijf dan even naast me zitten

zolang het duurt

Kun je dat?

Even stil zijn?

Alleen maar naar me luisteren?

Dan mag je mijn mobieltje hebben

Ja, Minecraft staat erop

gebruik gerust mijn diamond pickax

om je stenen mee te breken en

je huizen mee te bouwen

Of ik ook een huis heb?

Wat kan jou dat nou schelen jochie?

speel maar lekker

daar ben je voor gemaakt

Mijn dagen zijn anders dan de jouwe

De zon komt op, de dag begint, behalve ik

Ik leef op blikken ravioli

en water met brinta

woon overal en nergens

Mijn matras is dun en hard

er is geen verwarming

’s nachts slaap ik met mijn kleren aan

ik mag niemand ontvangen

douchen kan alleen ’s middags

vies maar spotgoedkoop

Kotsruimen en schoenen poetsen

paprika’s plukken en knoopsgaten maken

in confectieateliers

ik heb het allemaal gedaan

Net doen alsof ik er niet was

Onopvallend uitblinken

Dat was mijn leven hier

Ik werkte voor twee

Liep nooit de kantjes eraf

Ik was de man bij het stoplicht

die wel drie keer uitkeek

voordat hij overstak bij rood

De stille passagier in de metro

die nooit zwart reed

bang als hij was voor de identificatieplicht

en het uitzetcentrum

En dan op een avond

word je toch gepakt bij een verkeerscontrole

omdat het achterlicht stuk is

van je tweedehands fiets

Maar fuck dat

Mij hoor je niet klagen

De droge pit in het midden van het leven

dat we alleen geboren worden

en sterven moeten

heb ik allang doorgeslikt

Ja Bob de Bouwer

je Minecraft huis is mooi

nu nog die schaapjes ombrengen

dan krijg je wol

die je warm houdt in de nacht

en voor iedere afgeslachte zombie

ontvang je ui of aardappel

nederig voedsel

maar het is ten minste iets

Mijn moeder

God hebbe haar ziel

kon dat als geen ander

met weinig wonderen verrichten in de keuken

Daarom kom ik hier graag

op dit winkelplein met de kruidenmarkt

cayennepeper en kumuka

markoeza en amandelorgeade

geuren van thuis

herinneringen aan haar kookpot

Waar ik vandaan kom?

Dat land ken je niet jongen

Het ligt duizend dagen lopen hiervandaan

Daar leef je niet

je overleeft

en wacht op het volgende staakt-het-vuren

Ik herinner me nog goed

de dag dat ik aankwam in deze stad

Ik had alleen een sporttas met kleren bij me

In de nachtkroeg tegenover het station

hingen bleke junks en zwervers voor pampus over de bar

In de hoek zat een oud-soldaat

die een toost uitbracht op een kapotgeschoten kameraad

Hij en ik begrepen elkaar tenminste

Het meisje met de zwarte lakschoentjes

die voor de deur van haar huis

van vermoeidheid in elkaar zakt

omdat een verdwaalde kogel

haar voorgoed in slaap sust

hebben we alletwee gezien

O zijn dat je ouders?

Waarom kijken ze me zo aan

alsof ik een gevaarlijke gek ben?

Ik heb te veel gezopen dat weet ik

maar ze zitten allemaal op een rijtje nog

Jullie denken vast dat je beter bent dan ik hè

dat ik jullie tijd niet waard ben hè

Nou, neem dat jochie van jullie dan maar weer mee

klootzakken

en doe me één plezier

Leg hem uit dat geen mens illegaal is

Ik ook niet

 

***

 

Gloria heet je?

Als ik je dit geef

hoe lang blijf je dan bij me?

Ik heb je nodig vanavond

Verdriet naait mijn schaduw vast

aan mijn lijf

Laten we er samen één drinken

op jouw gezondheid

en het lied aanheffen

dat een stamgast ooit voor me zong

Misschien ken je hem wel

Jij komt hier toch ook vaker

Grote kop donker haar stem als een rasp

ogen waarin de zon

aan één stuk door ondergaat

“Iedereen is van de wereld”

Zo begon het ongeveer

De rest is drankgelag

Want de maan komt op

de nacht begint

en ik verdwijn in mijn glas

Dan maar een munt in de jukebox

Meestal wieg ik mijn heupen

met in mijn armen

de geest van mijn vrouw

Maar nu heb ik jou Gloria

je versleten hakken

je gejaagde ogen

ze winden me op

Ik wil je zien dansen verdomme

op het ritme van de duivel

Schuifel je voeten over de houten vloer

vol zand en saudade

Klim als een slingerplant

omhoog tegen de muur van de blues

en terwijl ik je meeneem in de draai

kijk ik in de spiegel van mijn voorland

Wezenloze blikken in verslagen gezichten

aan de toog

Soms zie je hun monden

openscheuren voor een valse glimlach

de dekmantel voor een mislukt leven

Kijk, daar zit Tuluca

Één hand aan zijn glas

In de zaagfabriek waar hij werkte

dagdroomde hij over zijn volwassen zoon

die hij alleen kent van vergeelde kinderfoto’s

Zijn rechterhand verdween in de machine

En daar bij de gokkast

dat is Youssef de Palestijn

de rookaanslag zichtbaar

op zijn onverzekerde tanden

Zijn blik is leeg van het staren

naar een plek die hem niet meer kent

Zijn grootste pijn is dat zijn vrouw

“haar was niet meer ophangt in de ochtend

maar zich tevreden stelt met het schoonmaken van de vlag”

Ver van zijn lot zit hij hier

als een vogel die zijn nest heeft gebouwd

in de holte van een standbeeld

Verdwaalt in een tijd

tussen

herinneren hoe hij ooit hier is beland

en willen vergeten hoe het afloopt

in

Schop knijp sla me dan Gloria

Maak me in godsnaam wakker

Anders komt de dag

sneller dan ik denk

Dat ik mezelf aantref

op dezelfde kruk als waar ik nu zit

en besef als het al te laat is

Dat ik het verzet heb opgegeven

Dat ik genezen ben van mijn chronische aandoening:hoop

Dat ik geen toekomst meer heb

niet hier en niet daar

net zo als zij

Ik kan aan je gezicht zien

dat ik je verveel Gloria

Maar zal ik je eens iets zeggen

Fuck die shit

Ik betaal voor je gezelschap

dus waar is verdomme je lach?

Leg je geile hand in de mijne

en laten we naar buiten gaan

het park in

Ik kan die koppen hier niet meer zien

Ik wil het gras tussen mijn tenen omhoog voelen kruipen

zoeken naar wat blijvend is

de aarde de bomen de hemel

Want deze stad is een gevangenis

volgestouwd met tijdelijke dingen

Hoe kun je weten waar je thuishoort Gloria

als je voort beweegt door een stenen wereld

zonder ooit een voetspoor in de aarde te zetten?

Shhhht hoor je de wind?

Hij zegt: “seks vormt het lichaam

waarheid vormt de geest”

Dus gooi je hakken uit

je blote voeten

je gejaagde ogen

ze winden me op

Ja zet je valse nagels in mijn vlees

en laat me godverdomme voelen nu

dat ik leef

 

 

Hé chauffeur, laat de taximeter maar lopen,

het maakt me niet uit hoe veel het kost

hier heb je al mijn geld

het laatste dat ik heb

Waar naartoe?

Kent u het adres van niemandsland?

want hier mag ik niet blijven

en in mijn land willen ze me niet terug

dus kreeg ik van de IND ambtenaar een dagkaart

voor gratis openbaar vervoer door het hele land

en wenste hij me succes op het treinstation

Ik nam de intercity naar deze stad

dook de eerste de beste ondergrondse in

tot aan het einde van het traject

en weer heen

en weer terug

bleef ik zitten

Een zwerver met een gitaar

stapte in bij station Brooswijk

hij stemde zijn snaren met jazzy akkoorden

en begon te spelen

Over bevroren eenden en gedachten in de ijskast

opgesloten en dood

zong hij

en tegen de beslagen ramen van de metrocabine

dook het refrein terug mijn oren in

als een boemerang

Ik wil het para para paradijs

parakoek paravrouw en paravogels

Een plek waar geen leugens zijn of slachterij

waar alles simpel is

en waar maar één woord bestaat

liefde liefde liefde

Dus vergeef me mijn accent

en mijn alcoholstank

en rijd me rond

tot aan het einde van de nacht

door deze godvergeten klotestad

Neemt u mij niet kwalijk

dat was niet aardig om te zeggen

Het is alleen

Ik ben zo diep gevallen

Mijn enige troost dit cassettebandje met paramuziek van Estrella

De Dichteres van de Stem

Onze Ambassadrice bij de sterren

Zet u het voor me op repeat?

Ah moet u horen Eitab

Naar dit nummer luisterden we vaak

tijdens de gevechtspauzes

op de militaire post

Als de geur van jasmijn in de ochtend is haar stem

Zijde en vlam ineen

Door Estrella waren we tussen de granaten door

in staat om lief te hebben

Met haar stem als mast

bevoeren we de zee van hoop

Dat was in de tijd dat ik een collega van u was

in de straten van Calamanche

en de muziek van Estrella laten horen

door de taxispeakers

nog een daad was van verzet

Ochtend en avond zong ze

liefde verloren pijn kwam in de plaats

wat wil ik nu? waarom zoeken naar een ander?

er zijn er zo velen en toch is hij de enige

En via de binnenspiegel boven het dashboard

wisselden mijn passagiers en ik

een blik uit van verstandhouding

Het was een belofte dat we elkaar niet zouden verraden

dat we ons land na de burgeroorlog en de dictatuur

samen opnieuw zouden opbouwen

met de stem van Estrella als baken in de nacht

Een belofte die ik gebroken heb

door te vluchten naar dit land

En dan wandel je op een dag

door jullie straten van melk en honing

langs de neonborden en sluikreclames die 24/7 roepen

Absorbeer! Consumeer!

En plotseling valt het masker af

van jullie schijnwereld

die met minder geen genoegen neemt

Want de dingen die jullie nodig hebben

voor een eenvoudige maaltijd

bestek een bord een tafel een pan

lucifers een betaalde gas- en energierekening

een ijskast een provisiekast een supermarkt

is ronduit verbijsterend

En tot je grote schaamte ontdek je

dat je alles achter je hebt gelaten

voor een iCloud illusie

Dus zet me maar af hier

voor de gesloten poorten van de dierentuin

Ik wil jullie leven niet meer

Ik wil niet werken voor een koophuis met ligbad en kookeiland in Broek en Waterland

Ik wil niet ’s avonds op de bank

survivalen met de sterren op HD tv

een toastje camembert

de internetprovider

en verzekeringsagent bij de hand

Geef mij de dieren en de rotsen en de bomen maar

als ik op blote handen en voeten palmvruchten kan plukken

vlak onder het bladerdek

lukt het me ook wel jullie hekken te bedwingen

Tussen de apen en de slangen zul je me vinden

als je me zoekt

waar ik zal leren nergens meer naar te verlangen

een steen te zijn in het veld

te dansen op het mineurakkoord

en kracht te putten uit de onverschilligheid

van het tijgeroog

 

 

Met dank aan: Stromae, Fairuz, Mashrou’ Leila, James Blake feat. RZA, Mahmoud Darwish, Berliner Tagebuch, Tjalie Robinson en Thé Lau. Foto: Jan Theun van Rees (Verborgen Stad)

 

 

Stille disco

Standaard

 

Na hun mislukte zomervakantie op Syros begon Hofman met hardlopen.

Eerst rende hij tot aan hun bankje bij de brug over het stadskanaal waar de wilde eenden sliepen langs de kade, de nek gedraaid, de kop tussen de veren gestoken. De weg terug naar huis liep hij, zijn kuitspieren stijf van de inspanning, zijn shirt voor en achter donker van het zweet.

Eind augustus verlengde hij zijn looproute naar station Warburgplein aan de overkant van het water, de halte waar hij uitstapte wanneer hij de metro nam naar haar toe.

Begin oktober slaagde Hofman er voor het eerst in de twaalf kilometer van zijn flatwoning, via hun favoriete karaokebar naar het kantoorpark langs de ringweg, af te leggen zonder wandelonderbrekingen. Op de parkeerplaats van de Leibniztoren, waar zijn werkgever Van Raasdonk Investment Management kantoor hield, moest hij overgeven van pure uitputting.

*

Voordat Hofman die maandagochtend de deur uitging, zette hij CBNC aan voor de laatste beursberichten. Hij wilde weten hoe Azië ging. Wat de opening was geweest in Singapore.

Op het werkeiland midden in de keuken klapte hij zijn Macpro open. Op het verbeterde retinascherm glimde de weerspiegeling van zijn synthetische trainingspak als nooit tevoren. In zijn rug werd hij gedekt door roestvrijstalen voorwerpen. De koelkast. De vaatwasser. Het kooktoestel dat er uitzag alsof het thuishoorde in de open keuken van een restaurant.

Hofman scrolde langs de real time koersen AEX. De Nasdaq en de valuta. De Dow Jones en de beleggingsfondsen.

Fuck. De wires beloofden weinig goeds. Slechte prognosecijfers voor de Chinese exportsector. Chronische laagconjunctuur van de Amerikaanse derivatenmarkt. Europa zou de klappen snel genoeg gaan voelen.

Met een muisklik zette Hofman de laptop op slaapstand. Hij greep een appel van de emaillen fruitschaal op het granieten aanrecht. Diep zonk hij zijn tanden in het vruchtvlees. De klokhuis pitten spuugde hij uit in de dubbele spoelbak, tot aan de rand gevuld met ongewassen vaat.

Voor de ovalen spiegel in de rechthoekige gang pepte hij zichzelf op. Hij zag er fris uit. Frisser dan ooit. Hij probeerde te stoppen met roken. Drinken deed hij nauwelijks meer. Iedere doordeweekse dag nu rende hij de Karaoke route of een van zijn andere hardloop parcours naar de Leibniztoren.

Koppie erbij vandaag. Zijn posities zoveel mogelijk hedgen, verzekeren. Aan de upside én de downside. Meer kon hij niet doen op een dag als vandaag, en dat was al lastig genoeg. Één verkeerde beslissing. Tien miljard was zo verdampt.

*

‘Goeiemorgen.’

De benedenbuurvrouw van nummer 712 – of was het 721? – stapte de lift in van het appartementencomplex. De deuren sloten zich achter haar. Begeleid door elektronisch gezoem daalde de lift af. De blik van de roodharige vrouw streek langs hem heen als een scanapparaat.

‘Sportief’, zei ze. ‘Ren je hier in de buurt?’

‘Soms.’ Hij zweeg even. Small talk was nooit zijn sterkste kant geweest. ‘Jij?’, vroeg hij toen.

De buurvrouw schudde haar hoofd. ‘Joggen is niks voor mij, Chris.’ Ze trok de gesp van haar duifgrijze trenchcoat een stukje strakker. ‘Bikram yoga’, zei ze, ‘dat is mijn ticket. Lekker zweten.’

De vrouw gooide een glimlach in zijn gezicht. Hofman spande zijn hersenspieren aan. Hoe heette ze ook al weer? Ze was neurologe of anesthesiste in het Academisch Ziekenhuis. Zoiets had hij onthouden uit hun vluchtige gesprekjes in en rondom de woonflat.

Op de begane grond liet hij haar voorgaan de lifthal in. Buiten, voor de matglazen portiek, schoof Hofman zijn mobiel uit de speciale houder om zijn bovenarm. Het was elf graden Celsius, half bewolkt met twintig procent kans op een bui. Zijn horloge, een lomp geval met een groot digitaal scherm waarop hij zijn hardlooptijden bijhield, gaf 06:24 aan. De meeste galerijwoningen waren nog in donker gehuld.

In het vale, Dennis Hooper -achtige schijnsel van de parkeerplaatsverlichting, landde de rokerige stem van de vrouw als vage mist in zijn oor. Het is goed dat ik je tegenkom, begon ze. Ze gaf een feestje dit weekend, een select groepje mensen, of hij ook zin had om te komen.

Hofman keek op van zijn selectie aan hardloop playlists. Ze was aantrekkelijk, zonder meer. Fijn gezicht. Mooi figuur. Lange, slanke vingers waar hij een zwak voor had. Maar ze was geen Irene.

‘Dank je wel voor je uitnodiging’, zei hij terwijl hij zijn oortjes indeed. ‘Ik zal kijken of ik kan.’ De vrouw wendde haar ogen af en verdween de parkeerplaats op. Hofman aarzelde even, koos voor ‘Syros’ en drukte op play.

Het meditatieve gerinkel van Chinese klankbollen. Serene synthesizer loops. Als onderwater luchtbellen in een diepblauwe zee sijpelde de techno trance van Pantha du Prince zijn gehoor binnen. In de geluidstunnel van de elektronische muziek ontspande zijn lichaam. Herinneringen aan Syros – het ruige kustlandschap, het kerkje van Aeghios Nikolaos op de top van de heuvel – speelden door zijn hoofd als lichtvlekken op een grotwand.

De wereld om hem heen leek achter glas te liggen. Voor hem lag de Schönbergallee in ochtendschemer. Aan de overkant van de straat stopte een streekbus bij de halte. De punker die instapte en naar zijn zitplaats achterin liep, scheen vertraagd voort te bewegen door de optrekkende bus.

Op het grasveldje aan de straatzijde van de parkeerplaats voltooide hij zijn warming up. Hakken billen. Rekken strekken. Push ups. En pak je rust.

Hofman boog voorover, handen net boven de knieën, temporiseerde zijn hartslag. Toen hij overeind had hij zijn besluit genomen. Het was alweer even geleden dat hij de Tazzina route naar zijn werk had genomen. Andere hardloop routes door andere straten en parken met gedeelde herinneringen, langs andere cafés en bioscopen en huizen van vrienden waar ze samen waren geweest, hadden zijn voorkeur gehad.

Nu, om redenen gedicteerd door de logica van zijn hart, koos hij voor de weg langs de espressobar in het Rufuspark waar ze elkaar vier jaar geleden op een koude oktober ochtend hadden ontmoet. Dat Tazzina niet bepaald de snelste route was naar zijn werk maakte hem niets uit. Deze keer was hij er zeker van dat hij Irene daar om half acht zou zien zitten aan hun tafel bij het raam.

*

Hij volgde het fietspad in de richting van de Anton Webernkade en stak de voetgangerstunnel door onder het stadskanaal. Het centrum ontwaakte. Vroeg autoverkeer zat vast op het kruispunt voor het Atlas paleis. De ochtendzon brak door, verdween achter een wolk, haalde verblindend uit naar de gouden weerhaan op het dak van de Sefardische synagoge.

Ter hoogte van het Bellamyplein liep hij langs de vismarkt in opbouw waar Irene en hij op zaterdagen zwaardvis en gekookte paling kochten voor zelfgemaakte sushi. Een kalende veertiger in een blauwe overall tilde piepschuimen bakken met inktvis en calamaris uit de laadbak van een stationwagon.

Op de voetgangersbrug aan de voorzijde van station West nam hij een korte drinkpauze. Het thermoshirt onder zijn blauwe fleecejack plakte tegen zijn bezwete rug. Hij ritste zijn lichtgewicht rugzak open en nam een slok uit zijn waterfles.

Beneden op het stationsplein bewogen grote groepen mensen kriskras door elkaar heen op het logische ritme van hun dagelijkse schema’s. Langs de verhoogde rand van het plein haalde een groepje tieners met omgekeerde baseball caps op en tatoeages op hun onderarmen, trucs uit op hun skateboards.

Bij dergelijke jongens had Hofman zich als middelbare scholier nooit op zijn gemak gevoeld. De magie van de vloeistofmechanica in de natuurkundeles ontging hen. De sensationele dynamiek van waterstofdeeltjes.

Zij hadden hun alpha ramps en hun battles, hun Vans en hun gettoblasters. Na school trok hij met zijn bèta vriend Patrick naar pleinen, perrons en winkelcentra om de beweging van mensenmassa’s te observeren. Richtingsvectoren te berekenen in publieke ruimten.

De schoonheid van parameters. Zijn cijfer fetisj. Irene begreep dat soort dingen tenminste.

Hij keek op zijn Pulsar horloge. 07:09:54. Op dit moment, dacht hij, zou ze waarschijnlijk de voordeur van haar studioappartement in de Bermudastraat achter haar dichttrekken. Ze zou de lege flessen van het weekend overdreven hard in de glasbak voor de deur gooien. Iedere keer als ze het spetterende geluid van uiteen brekend glas hoorde, kneep ze haar vingers samen en maakte een vreugdesprongetje. En voordat ze haar derdehands fiets uit het rek trok, propte ze haar schooljuf tas volgestouwd met nagekeken Cito-toetsen en Rekentijgerschriften in de fietskrat aan het stuur.

De gedachte aan haar parallelle leven, dat het zijne aanstonds zou kruisen, gaf Hofman vleugels. De trottoir tegels langs de Atropabaan schoot weg onder de zolen van zijn Asics renschoenen. De oude platanen die de bijna drie kilometer lange avenue flankeerden, flitsten voorbij.

Geleidelijk aan werd de cadans in zijn loopritme soepeler, zijn ademhaling gelijkmatiger. Op zijn koptelefoon klonk de elektronische ballade van Boards of Canada als de geluidsdroom van een nostalgische android, doorgeseind vanuit de ruimte. In de droom zag hij groene lavalampen met dalende en stijgende oliebellen. Chroomkleurige Commodores 64 met 1541 diskdrives. Verkleurde polaroids van de baai van Galissas, het uitzicht vanuit de slaapkamer van hun vakantiewoning op Syros.    

Met iedere stap nam de ruimte in Hofmans hoofd exponentieel toe. Het lichte gescratch. De mid tempo hip hop beats. De digitaal vervormde vrouwenstem, opgenomen in een cocon van ruis. Ze slokten zijn angst voor de val van de markt op als een licht molecuul in een zwart gat. 

Vergeet het doemdenken, was de boodschap die de elektronische ballade in zijn oren fluisterde. Alles is mogelijk.

*

Het einde van de Atropabaan kwam uit op de noordelijke ingang van het Rufuspark. Achter de donkere silhouetten van de bomen hing een schelp roze gloed van opkomend zonlicht. Hofman volgde het hoofdpad langs het pony veld en het lege pierenbad, de azuurblauwe tegels op de bodem bedekt met oranjebruine herfstbladeren. Hij passeerde andere hardlopers die hun rondjes afwerkten door het stadspark. Op het grote grasveld voor de karpervijver spurtte een pitbull achter een tennisbal aan. Onder een kale kastanjeboom, gezeten in kleermakerszit, oefende een blonde vrouw met vuistdikke dreads zich in het simultaan hooghouden van circuskegels.

Een rij fietsers, die op het hoofdpad voor hem langs kruiste, dwong Hofman zijn pas in te houden. Een paar meter van hem vandaan, verborgen tussen een monumentaal parkhuis en een biologisch restaurant, lag een stadstuin met groenten en kruidenbedden. Een vleug tijm en lavendel. En Hofman reed weer op de smalle landweg in de heuvels vlak buiten Galissas. 

Hij zat in de passagiersstoel naast haar. Het was avond. Ze reed hem naar huis, een krijt witte airbnb woning met turkooizen luiken hoog op een heuvel. Er stond een cassettebandje op, een band die hij niet kende, Death cab for cutie.

Met de laatste veerboot uit Athene was hij zojuist aangekomen in de haven van Syros-stad. Irene had hem en zijn bagage bij de kade opgepikt in een gehuurde Kever. Achterin de kofferbak lagen duikbrillen en twee paar zwemvliezen. Ze was al twee dagen op het Cycladen eiland. Hij had geen eerder vrij kunnen krijgen van zijn werk en de zaterdagmiddag vlucht genomen. De zon, zag hij aan haar benen, was vriendelijk geweest voor haar huid. Ze had al met de dolfijnen gezwommen, zei ze toen ze wegreden de haven uit, gesnorkeld in een koraalrif.

Buiten was het aardedonker. Hij draaide het autoraam open, hing zijn hoofd uit het raam en nam een diepe snuif van de mediterrane lucht. De droge warmte. De geur van zout, zand en kalk. Van benzine, platgereden olijven en wilde kruiden die groeiden langs de kant van weg.

Toen keek hij omhoog naar de nachtelijke hemel. Hij spande zijn ogen in om de satellieten te zien en de vallende sterren. Of ze ooit met elkaar zouden botsen, vroeg hij. Vanachter het stuur glimlachte ze naar hem. De meest zorgeloze lach die hij kende.

Hij leunde achterover in zijn stoel en legde zijn voeten op het dashboard. Met haar naast hem in de auto was de wereld erbuiten niet belangrijk meer.

 

Vijftig woorden voor sneeuw

Standaard

Vanmiddag fietste ik naast mijn zoontje door de Amsterdamse binnenstad.

Onderweg bespraken we gewichtige zaken.

Het kampioenschap van Ajax.

Het grote zwarte gat in het midden van de Melkweg.

Als iemand ons in wilde halen, fietste mijn zoontje een stuk vooruit om ruimte te maken .

Het was zo’n moment dat je je als ouder beseft hoe snel je kind groeit.

Nog even en hij vindt zijn weg door de stad zonder jou.

Terwijl het nog zo kort geleden lijkt dat je hem als een dwergaapje in slaap wiegde in de takken van je armen.

Hoe zou hij dit moment ervaren, vroeg ik me af terwijl mijn zoontje zich onverschrokken door het stadsverkeer bewoog. 

Zou hij zich deze fietstocht later herinneren als een vroeg Monument van Zelfstandigheid?

Een moment waarop hij zich los gezongen had gevoeld van zijn ouder?

Waarop hij even geen kind meer was geweest?

Vrij. Onafhankelijk. 

Maar ook, op een wezenlijk niveau, alleen op de wereld….

Vijftig woorden voor sneeuw

Papa en mama bellen aan als de meeste kinderen al zijn opgehaald. Dylan springt in de armen van zijn vader. Hij heeft hem gemist. Vanmiddag is hij teruggekomen uit Portugal. Voor zijn werk graaft hij daar naar oude dingen, in een grot diep onder de grond. Botten en zo.

Zijn moeder lacht naar hem. Verliefd zijn is stom. Maar als hij later trouwt, dan wil hij trouwen met een meisje dat net zulke groene ogen heeft en net zo lekker ruikt naar Robijn fris en fijn als mama.

’Heb je het leuk gehad?’ vraagt ze.

Zijn klasgenootje Thomas is 10 geworden vandaag. Hij viert zijn superheldenfeestje bij hem thuis. Toen Dylan daarstraks zijn cadeautje op de grote stapel legde, zat Thomas aan het hoofd van de versierde tafel in zijn nieuwe Mega Toby pak. Eerst blies hij alle kaarsjes in 1 keer uit. Toen kreeg iedereen een stuk mokkataart en warme chocolademelk met slagroom. Thomas had zijn taart als eerste op want hij kon niet wachten zijn cadeautjes uit te pakken.

‘Hij heeft een Transformer gekregen’, zegt Dylan jaloers. Hij wijst naar Thomas die aan Mustafa laat zien hoe je de armen en benen van de robotstrijder omklapt zodat hij verandert in een gevechtsvliegtuig met raketmotors.

Zijn vader zet hem neer op de grond. Dylan wankelt op zijn benen. Hij is moe van het spelen en heeft buikpijn van de taart en de popcorn en de paprikachips. Met zware ogen kijkt hij op zijn Spidermanhorloge. De grote wijzer staat op de 6, de kleine net voorbij de 4. Half 5.

Iedere keer als hij op zijn horloge kijkt, is hij gelukkig dat hij de tijd bij zich heeft. Dat geeft hem het gevoel dat hij een grote jongen is. Maar hij snapt nog niet alles van hoe de wijzers werken. Wat als hij het horloge per ongeluk verkeerd om aan doet. Draaien de wijzers dan achterstevoren de andere kant op? Komt dan eerste de maan op en dan pas de zon?

‘Is het al avond?’ vraagt hij.

‘Bijna’, zegt mama.

‘Dan mag ik televisie kijken toch?’

Zijn vader geeft hem een aai over zijn bol. ‘Ga maar even met Thomas spelen’, zegt hij. ‘We gaan zo.’

Mama en de moeder van Thomas omhelzen elkaar. Grote mensen houden van kletsen dus het kan nog wel even duren voordat ze naar huis gaan. Verveeld pakt Dylan een verdwaalde hot wheels van de grond. Over de leuning van de bank laat hij het raceautootje heen en weer rijden. Met een half oor luistert hij naar het gesprek van de moeders.

Na enige tijd vangt Dylan het woord ’skelet’ op. Lyn en Thomas vinden skeletten eng. Maar zij zijn bangerikken. Een keer heeft hij in een museum een schedel aangeraakt en dat deed hem helemaal niks. Want eigenlijk is doodgaan net zo iets als heel lang slapen. Dat doet oma ook op het kerkhof vlakbij de zee. Zaterdag heeft hij met mama bloemen bij haar graf gelegd. Het was er heel stil. Je kon alleen de golven horen achter de duinen en de wind in de bomen. Niemand werd wakker.

Later bij de deur delen Thomas en zijn vader verrassingszakjes uit. Er zitten spekjes in, twee ballonnen zonder lucht erin en een doosje rozijnen. Buiten voor de deur blijven papa en mama en de ouders van Thomas nog even napraten. Dylan loopt alvast een stukje de gracht op. De lucht is blauw en de zon schijnt. Toch is het koud buiten. Als hij zijn adem uitblaast komt er een rookwolk uit zijn mond. Net als uit de schoorsteen van een locomotief.

Overal ligt sneeuw. De stad is stiller dan in de zomer. Zijn voetstappen, de stemmen van zijn ouders, alle geluiden klinken zachter. Misschien worden ze wel begraven onder de sneeuw, denkt hij.

De Volvo van papa en mama staat tegenover het huis. Eerst links kijken en dan rechts. Geen verkeer. Voorzichtig neemt hij een aanloop en glijdt op zijn sneeuwlaarzen over de bevroren weg. Bij de achterdeur van de auto draait hij zich om. Hij wil zijn ouders roepen dat ze moeten komen. Maar hij doet het niet. Iets houdt hem tegen.

Een onbekend gevoel neemt plotseling bezit van hem. Het is net of de onzichtbare navelstreng die dag en nacht gespannen zit tussen hem en zijn ouders, knapt. Ik ben 1, zij zijn 2, denkt hij. De twee getallen flikkeren aan en uit in zijn hoofd. 1, 2, 1, 2.

Als verlamd staat hij bij de auto en kijkt naar zijn ouders aan de overkant van de straat. Afgescheiden van hen, voelt hij zich helemaal alleen op de wereld. Het is een verwarrend besef dat hem op hetzelfde moment vreselijk bang en intens gelukkig maakt. Hij is los, vrij, maar ook ankerloos.

Dylan kijkt omhoog naar de blauwe hemel, ver weg en immens. De wereld is zo groot en raar. Vol en leeg tegelijk. Zullen zijn ouders hem wel vinden als hij ergens verdwaalt?

*

Na het televisiekijken en het avondeten gaat Dylan onder de douche. Terwijl hij de badkikker met een grote sprong van zijn knie naar zijn voet laat springen, zeept zijn moeder zijn rug in. Eerst, denkt Dylan, was hijzelf ook een kleine kikker. In de buik van zijn vader. Daar is hij geboren. Toen, op een dag, zwom hij naar de buik van mama. Waar hij groeide en groeide tot hij een baby werd.

‘Mama’, vraagt hij, ‘waar kom ik vandaan?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Waar was ik toen ik nog niet bij jullie was?’

Zijn moeder geeft niet gelijk antwoord. Met haar rode nagels krabt ze langs de zijkant van haar voorhoofd. Dat doet ze wel vaker als ze een vraag moeilijk vindt. Pas als ze zijn rug heeft schoon gespoeld met warme stralen uit de douchekop en een handdoek om hem heeft heengeslagen, zegt ze, ‘Dat weet ik niet.’

‘Maar jij weet toch alles?’, vraagt hij teleurgesteld.

‘Dat denk jij maar.’ Ze droogt zijn haren af. Dan pakt ze zijn bibbertandenborstel uit de glazen beker op de hoek van de wastafel.

‘Thomas zegt dat we van sterrenstof zijn gemaakt’, oppert hij.

‘Misschien’, zegt mama. ‘Er zijn mensen die dat geloven, ja.’

Ze reikt hem zijn tandenborstel aan. ‘En nu poetsen jij. ’

Dylan doet de klep naar beneden en gaat op de wc-pot staan zodat hij zichzelf kan zien poetsen in de spiegel. Voor zijn gevoel is zijn moeder een stukje kleiner geworden en Thomas een stukje groter. Als hij de volgende keer een moeilijke vraag heeft, zal hij zijn vriendje vragen om het antwoord.

Die avond is papa aan de beurt om voor te lezen. Met zijn kleren aan kruipt zijn vader naast hem in bed. Het boek ligt tussen hen in. Terwijl papa het verhaal voorleest van Krummel de rups slaat Dylan de pagina’s om.

Hummel vindt zichzelf maar een dood gewone groene rups. Hij draagt geen eigen huis op zijn rug zoals de slak. Hij heeft geen mooie rode stippen zoals het lieveheersbeestje. Dennenappels optillen zoals de sterke mier kan hij ook niet. Iedere dag voordat hij gaat slapen, klaagt Hummel bij god. Waarom ben ik zo gewoon? vraagt hij. Waarom ben ik niet zo bijzonder als de andere dieren? Op een avond is hij zo moe van het klagen dat hij aan een blad van een boom gaat hangen en wegvalt in een diepe slaap. Wanneer hij wakker wordt, valt hij uit zijn slaapzak. Hij merkt dat hij prachtige vleugels heeft gekregen met kleuren en stippen en vliegt blij weg de wijde wereld in.

Papa slaat het boek dicht.

Dylan wrijft in zijn ogen en gaapt. ‘Waarom is Hummel zo blij?’, vraagt hij.

‘Omdat er niemand in de wereld is zoals hij.’

‘Maar Krummel dan, zijn vriendje? Dat is toch ook een rups die een vlinder wordt? Dan zijn ze toch precies hetzelfde?’

Zijn vader gaat rechtop in bed zitten. ‘Dat zou je denken hè’, zegt hij. ‘Maar iedere vlinder is anders. Ook al zijn ze van de dezelfde soort.’

‘Zijn er meer soorten dan?’

‘Veel meer. Duizenden.’

‘Zoveel?’ Dylan kijkt zijn vader met grote ogen aan. Hij kent alleen de nachtpauwoog. Volgens Thomas is dat een superduperdier want een mannetje kan een vrouwtje ruiken op 11 kilometer afstand. Dat is net zo ver als van de dierentuin helemaal tot aan de zee.

‘En weet je wat het mooie is?’, zegt papa. ‘Wat voor de vlinder geldt, geldt voor alle dingen. Alle dieren, alle mensen en alle sterren. Ook al lijken ze soms op elkaar, er is er geen 1 hetzelfde.’

Zijn vader kust hem welterusten en klikt de paddenstoellamp uit naast zijn bed. Dylan hoort de deur van zijn slaapkamer in het slot vallen. Onrustig woelt hij in zijn bed. Opeens is hij niet moe meer. Het idee van duizenden vlindersoorten beangstigt hem. Hoeveel vlinders zijn er dan wel niet op de hele wereld?

Dylan slaat de dekens om en schuift het gordijn voor het raam een stuk opzij. Het sneeuwt buiten. Ineens begrijpt hij wat juf Paula vlak voor de kerstvakantie in de klas vertelde. Eskimo’s hebben vijftig verschillende woorden voor sneeuw omdat niet iedere sneeuwvlok hetzelfde is. Maar zou het dan zo zijn dat de ene sneeuwvlok de andere niet herkent als ze naast elkaar op de aarde neervallen?

Met een frons op zijn voorhoofd staart hij naar de ontelbare witte vlokken die uit de donkere lucht neerdalen op de auto’s en de bomen en de daken van de huizen. Er moet toch iemand zijn, denkt hij, die het overzicht heeft. Iemand die alle sneeuwvlokken en alle vlinders telt en bijhoudt in een groot boek. Maar wie is dat dan? Wat is dat dan? Een soort superheld met een tien voor rekenen? Een god van alle kleine dingen?  

Gabo

Standaard

Op zoek naar het huis van Gabo Buendía volgde ik de gele vlinder door de straten van Macondo, langs de hoerenkast van Pilar Ternera en het verborgen graf van de incestueuze zoon met het varkensstaartje tot op het kermisplein waar de zigeuners het ijs aanprezen als het zevende wereldwonder.

Voorbij het plein landde de vlinder op de tak van een frailejones die groeide op de hoek van een naamloze steeg. Van overheidswege ingehuurde sloopbrigades waren bezig de steeg in zijn geheel neer te halen met betonhamers, dynamietstaven en kettinggezaag. De vadsige opzichter van het sloopproject, die kolonel Aureliano Buendía nog gekend had uit de tijd dat ze samen vochten tegen het puta leger van generaal Caldoron, informeerde me dat de Buendía’s op nummer 74 noodgedwongen de wijk hadden genomen naar Zipaquirá, een sloppenwijk op het moeraswater aan de oostelijke rand van Macondo.

 

“Alle families zijn ruim van te voren gewaarschuwd hun huis te verlaten señor”, beweerde de opzichter terwijl hij de gele Atlasvlinder wegjoeg met een welgemikte fluim van zijn pruimtabak. “De brief van de gemeente was heel beleefd señor , ik heb hem zelf gelezen señor, u moet begrijpen señor, de stadkust wordt opgeschoond señor, er komt hier een nieuw casino en een 24/7 shopping mall señor, we moeten verdomme iets doen om de toeristen terug te lokken señor, die cabrones durven niet meer te vliegen señor sinds die kaboem in Los Ustados Unidos, dus heeft de burgemeester besloten señor , hoe stond het er ook al weer, o ja, ‘om alle ongeautoriseerde constructies in Zipaquirá te ontruimen’, er zullen binnenkort nog meer straten in de buurt volgen, gelooft u me señor, de plannen van de gemeente zijn estupendo!”

De volgende ochtend besloot ik een van de gondels te nemen die langs de oostelijke rand van het moeras op het groezelige water lagen te dobberden en de oversteek te maken naar Zipaquirá. Op de bodem van mijn rugzak, naast een fotocamera, een doosje malariapillen en een vergeelde stadsgids, lag de aardewerken urn met de as van Gabo. Vertwijfeld vroeg ik me af of ik zijn familie in een dichtbevolkte sloppenwijk zou kunnen traceren om hen de stoffelijke resten te overhandigen. Mijn enige aanknopingspunt zat opgeborgen in de binnenzak van mijn colbert: een zwart-wit foto van de jonge Gabo met een vliegende katholieke missionaris op de achtergrond, genomen toen hij nog bij zijn grootouders woonde in het kustplaatsje Aracataca.

Ik ritste het voorvak van mijn rugzak open en haalde tien Amerikaanse dollars tevoorschijn. ‘Als ik je dit geef’, vroeg ik aan een van de roeiers, een kale, rijzige mesties met een sikje en een zonnebril op met kapotte donkere glazen, ‘hoe lang kun je me dan rondvaren?’

De roeier, die zich voorstelde als José Arcadio, pakte het biljet aan met één hand en hield het tegen het zonlicht. Vervolgens wreef hij het papier fijn tussen zijn vingers. Overtuigd van de echtheid van het biljet, vouwde hij het dubbel, stopte het in de geldbundel die aan een riem vastzat rondom zijn magere middel. ‘Si desea señor’, antwoordde hij terwijl hij mij de boot introk en met versnelde slag richting de waterwijk roeide, ‘espero a que salga la luna, no hay ningun problema.

Tot laat in de loeihete middag voer José Arcadio me langs honderden schots en scheef staande hutten op palen, de roestbruine golfplaten daken gehuld in rokerige nevelen afkomstig van visrokerijen op drijvende vlonders. De gesteven kraag van mijn witte blouse jeukte in mijn zweterige, door moerasmuggen bestookte nek. Ik toonde het portret aan in kleurige doeken gewikkelde vrouwen die met hun baby’s op de rug gebonden in kleermakerszit tussen hun schaarse bezittingen zaten. Aan mannen die huis aan huis palmharten, papaja’s en groene bakbananen verkochten, uitgestald op de vochtige bodem van hun krakkemikkige bootjes. Aan slungelige pubers die hun gondels behendig punterden door het raster van naar riool stinkende waterwegen tussen de dicht tegen elkaar aangebouwde paalwoningen.

Ik had de hoop al bijna opgegeven toen José Arcadio aanmeerde bij een vlonder voor het houten geraamte van een krotwoning met een dak van oranje plastic zeil. Op de vlonder zat een vissersvrouw op haar hurken naast een blauwe bak, tot aan de rand toe gevuld met tilapia. Één voor één pakte ze een dode vis uit de teil, stak de staart vast aan de kop en legde hem op een barbecuerooster waaronder een laagje kolen lag te gloeien. Toen ik haar het portret van Gabo liet zien, wees de vrouw zonder aarzeling naar een half wegzakkende barak schuin aan de overzijde van de waterweg.

José Arcadio peddelde de gondel naar de verzakte paalwoning. Ik nam de rugzak en stapte de boot uit, de vlonder op. Achter me stak José Arcadio de spaan als een hefboom in de ondiepe modderbodem. Hij ging zitten op de dwarslat bij de achtersteven en begon een sigaret te rollen.

In de deuropening van de barak op stelten bleef ik stilstaan. Voorin de schamele paalwoning sliepen twee kleine kinderen tegen elkaar aan op de kale grond. Stukken kleding en visgereedschap lagen rondom hen heen verspreid op de vochtige houten vloer. Vissersnetten, de mazen dun en fijn, hingen in bundels aan het lage plafond. Wat borden, plastic drinkbekers, juten zakken met de opdruk Bananas Produced in Macondo opgestapeld langs een wand. De enige versiering aan de muur was een kleurenprent van de heilige Remedios de Schone die op een dag, bij het opvouwen van de lakens, ten hemel was gevaren.

In een hoek van de barak zat José Arcadio Segundo wijdbeens voor een strogele teil met krabben. Binnen het bereik van zijn hand lag een kapmes waarmee hij de scharen, opeen gehoopt in een tweede bak met water, van hun romp verwijderde. Renata Remedios, Rebeca en de zeventien naakte zonen van kolonel Aureliano Buendía zaten in een andere hoek gehurkt rondom een conservenblik. Amaranta Ursula, een tienermeisje met lang, ravenzwart haar en verrotte tanden, schraapte net een klont gesuikerde rijst uit het blik en stopte het in haar mond. De naakte jongens, hun monden volgepropt, zaten onbeweeglijk als leguanen op een rots. Hun strak gespannen buiken puilden uit tussen hun broodmagere benen.

Ursula Iguaran, haar gebeeldhouwde gelaat een mengeling van indiaanse en negroïde trekken, nam me stilzwijgend in zich op met een zware, ondoorgrondelijke blik. Vanaf zijn plek staarde José Arcadio Segundo me onafgebroken aan, een harde, starre blik in zijn ogen, zijn gespannen hand een greep verwijderd van het kapmes naast hem op de grond.

De drukkende hitte binnenin de hut was bijna ondraaglijk. Log en massief hing de stilte tussen mij en Gabo’s bloedverwanten in. Het brakke water onder de paalwoning, verspreider van een adembenemende stank van rottend voedsel en excrementen, spiegelde tussen de spleten van de plankvloer. Een rat zo groot als een jonge kat schoot vanonder een juten zak de kamer in, schoot weg over de stoffige vloer en verdween door het poepgat met een plons het brakke water in.

Plotseling werd een van de kinderen die op de grond lag te slapen wakker. Het jongetje, bruin en spiernaakt, wreef zijn vuistjes in zijn ogen en ging rechtop zitten. Toen hij mij in de deurpost zag staan, bevroor hij. Half angstig, half nieuwsgierig gaapte hij de vreemde gestalte aan. Zo nu dan zochten zijn ogen de blik op van zijn moeder Ursula Iguaran, die nauwelijks merkbaar met haar hoofd knikte.

Aarzelend schuifelde het jongetje op me af. Op een veilige afstand bleef hij stilstaan. Ik hurkte door mijn knieën en zette de rugzak voor me neer op de grond. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat José Arcadio Segundo zijn hand op het handvat van het kapmes legde. Voorzichtig deed het jongentje een stap naar voren en begon aan de canvas stof van mijn rugzak te plukken.

Abierto, abierto!’, riep hij.

Ik ritste de zak open en haalde een balpen tevoorschijn. Het jongentje griste de pen uit mijn hand en stopte het in zijn mond. Toen hij een vies gezicht trok van de smaak en zijn boventanden bloot vielen, was een van zijn voortanden blauw geworden van de inkt.

Ursula Iguaran lachte.

De spanning brak. Het jongentje ging bij Amaranta Ursula en andere kinderen zitten om te eten. José Arcadio Segundo stak brandhout aan onder een rooster dat op de vlonder stond en legde krabbenscheren op de gril om gerookt te worden. Renata Remedios bracht me een kom met water uit een regenton. Toen wekte Ursula Iguaran het meisje dat nog lag te slapen, nam haar op schoot en nodigde me uit bij haar te komen zitten.

Digame señor’, vroeg ze toen terwijl ze het huilerige meisje in haar armen wiegde, ‘por qué estás aqui?

Ik vertelde het haar.

Ursula Iguaran glimlachte opnieuw. ‘Pero por que estas tan triste?’, zei ze verbaasd. ‘El no murió para que podemos vivir para siempre?’ 

                                         * * * *

Verklarende woordenlijst:

Frailejones: grote Colombiaanse plant met goudkleurig blad.

Puta: hoer

Cabrones: klootzakken

Estupendo: geweldig

Si deseo espero a que salga la luna, no hay ningun problema: als u wilt wacht ik tot de maan opkomt, geen enkel probleem.

Abierto, abierto!: maak open!

Digame señor, por qué estás aqui?: Zeg me waarom u hier bent? 

Pero por que estas tan triste? El no murió para que podemos vivir para siempre?: Maar waarom kijkt u zo bedroefd? Is hij niet gestorven opdat wij voor altijd leven?

PS

Gisteren namen duizenden In het Paleis van de Schone Kunsten in Mexico Stad afscheid van de afgelopen donderdag overleden Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Marquez. Door zijn fans werd Marquez ook wel liefkozend ‘Gabo’ genoemd. Bezoekers van de plechtigheid droegen gele papieren vlinders, een verwijzing naar zijn meest bekende roman Honderd jaar eenzaamheid, een kroniek van de familie Buendía waarvan de stamvader José Arcadio Buendía het stadje Macondo stichtte.

De vlinder verwijst naar Mauricio Babilonia, de geliefde van een van de zussen van José Arcadio Buendía, een man die overal waar hij ging steevast “omringd werd door de gele vlinders van de liefde.”

Alle namen in ‘Gabo’ tenslotte verwijzen naar namen van personages uit Honderd jaar eenzaamheid.

 

 

Hiroshima mon amour

Standaard

Alsof ze de gordijnen van een stoffige kamer opensloeg – de meubels en spiegels afgedekt met witte lakens -, opende Saskia de garderobekast en schoof de kleerhangers uiteen.

Wat zou ze aantrekken vanavond?

De dresscode voor het tuinfeest was exotisch. Één voor één trok ze de kledingstukken uit de kast die ze bij het thema vond passen. Een viscose topje met Hawaï print. De zilverkleurige charlestonjurk die ze ooit opdook in een tweedehands kledingzaak in East Village. Of koos ze toch voor de yokata, de zomerkimono die ze van Eric had gekregen tijdens hun huwelijksreis door Japan.

Zonder de kimono van de hanger af te halen hield ze hem voor haar lichaam. Puur zijde. Tahiti violet van kleur. Aan de voorzijde van de doorlopende stofprint verliet een geisha met geloken blik een pagode gebouwd tegen de flanken van een besneeuwde bergtop. Op de rug stak de geisha, hoog boven een ravijn waar een kolkende rivier doorheen stroomde, een hangbrug over.

Voor de spiegel draaide Saskia van links naar rechts op de bal van haar voet om te zien of de yokata haar nog stond. Hij was ook uitgenodigd, wist ze. Een gemeenschappelijke vriendin organiseerde het feest. Jullie zijn twee volwassen mensen, had ze gezegd, ik ga niet kiezen tussen jullie. Ze beet op haar onderlip. Slikte haar zenuwen weg. Mooi, commandeerde ze haar evenbeeld, zul je zijn.

Heiwa-koēn. Ineens herinnerde ze zich de naam. In een boetiek vlakbij het Heiwa-koēn, het Herdenkingspark van de Vrede, had hij de kimono voor haar gekocht. Het crêpe cadeaupapier was gevouwen in de vorm van een kraanvogel. Toen ze het uitpakte vond ze een handgeschreven kaartje, weggestoken onder de obi, de brede crème witte gesp. “Hiroshima mon amour” had haar ex-man erop geschreven in dat overdreven keurige handschrift van hem. Bijna even griezelig perfect als de rioolputten op het wegdek van de Yorozuyo brug, straatkunstwerken van gietijzer waarop haiku verzen en brandweermannetjes in gele pakken stonden afgebeeld.

*

Ze lopen over de Yorozuyo brug, even ten zuiden van het Herdenkingspark. Schuin voor hen, aan de overkant van het water, strekken de wolkenkrabbers in het Hondori winkeldistrict hun glazen vingers uit naar de hemelboog. Straaljagers en passagiersvliegtuigen kalligraferen de strak blauwe lucht met witte condensstrepen. Stroomopwaarts, waar de Motoyasu-gawa en de Ota-gawa rivier samenvloeien, glooien de met ginkgobomen begroeide bergheuvels die Hiroshima stad omringen.

Bij de reling, aan de rechterkant van de brug, staat een groep middelbare scholieren in een halve cirkel rondom hun leraar geschaard. De jongens zijn gekleed in donkerblauwe blazers en grijze pantalons. De meisjes dragen witte blouses, korte, donkerblauwe rokken en witte kniekousen die hun bleke bovenbenen ontbloot laten.

Soemiemasen’, vraagt Eric in zijn beste Japans aan een van de leerlingen. ‘Korehanan desuka?’

Is victim bomb’, antwoordt het meisje in robot-achtig Engels. Beleefd doet ze een stap opzij en wijst naar een langgerekte witte vlek op het brugdek. De vlek vertoont de contouren van een menselijk figuur. Een been, bevroren in de beweging van een stap, hangt omhoog opgetild in de lucht. In het steen gebrand door de kracht van de atoomexplosie lijkt de weggevaagde wandelaar te zijn samengevallen met zijn eigen schaduw.

Ze lopen door, de brug af.

Nadien hadden ze nog vaak gesproken over de wandelaar. Was hij een medewerker van de Industriële Promotie Hal even verderop langs de rivier, het enige gebouw binnen het episch centrum dat was blijven staan? Een jonge vrouw die haar huis verliet in Oto-machi aan de overkant van de rivier, op weg naar de vismarkt? Dat het een kind zou zijn, was onwaarschijnlijk. Het was kwart over acht in de ochtend toen de Paddenstoel boven Hiroshima verscheen. De meeste kinderen waren toen al op school. De scholen begonnen vroeger in die tijd, ook in Japan.

Ze hadden er nog vaak over gesproken. Maar niet op het moment dat ze de brug aflopen, terug naar hun kamer in de ryokan met de gevlochten tatami matten op de vloer, de lage tafel van vuurhout in het midden, de houten schuifdeuren bekleed met vliesdun rijstpapier en de gele brokaatkarpers in de watertuin op de binnenplaats. Zwijgzaam lopen ze dicht tegen elkaar aan. Intuïtief verstevigt de grip van hun in elkaar gestoken handen. Hun gedachten zijn bij de wandelaar op de Yorozuyo brug. Een leven in een nanoseconde afgebrand tot op de laatste cel. Het as van zijn lichaam in het steen getatoeëerd met de inktpen van de nucleaire straling.

                                               *

Ze had het niet laat gemaakt.

Voor de kapspiegel in de slaapkamer deed Saskia haar oorbellen uit. Met katoenen bolletjes verwijderde ze haar make-up. Toen ze haar kimono uittrok ontdekte ze een losse draad bij de mouw. Ze pakte het nagelschaartje uit de badkamer en ging op de rand van het tweepersoonsbed zitten. Met de rugzijde naar boven drapeerde ze de yokata over haar linker onderarm, knipte de draad door en legde het schaartje weg op de nachtkast.

Met haar rechter wijsvinger volgde ze de loop van de hangbrug tot vlak achter de geisha. Boven de bergtop, op schouderhoogte, scheen een gouden zon neer op het naaldbos achter de pagode. Op de houtbruine planken was de schaduw, die de geisha achter zich op de brug wierp, handmatig in het stof geborduurd met goudkleurig garen.

Ze drukte haar duimnagel in de gladde zijden stof. Waarom, siste ze tegen de gouden schaduw. Waarom ben je weg gegaan?

Even maar had ze Eric gesproken, bij de hapjestafel. Hij deed altijd zo luchtig over de scheiding, dat kon ze niet uitstaan. Alsof ze niet gefaald hadden samen. Nooit zouden ze de schaduw op de brug vergeten. Die belofte hadden ze elkaar gedaan, terug op hun kamer in de ryokan. Hoe fragiel hun leven was. Hoe kostbaar hun geluk. Daaraan zou de schaduw hun blijvend herinneren. Het zou hun gesprekken voor de rest van hun leven blijven voeden. Hun seksleven verdiepen. Hoofd- van bijzaken filteren. Hen leren iedere dag te leven alsof het hun laatste was. Hen aansporen hun dromen en ambities uit te wonen tot op het bot.

Hun schaduwverbond. Ze hadden het verraden.

Middenin de nacht schrok ze wakker. De glow-in-the-dark wijzers op haar horloge beweerden dat het half twee was. Vreemd. Het voelde veel later.

Ze zullen nu wel wakker worden in Hiroshima, ging het door haar heen. Gehurkt op tatami-matten drinken ze gifgroene thee in gouden kimono’s.

 

PS.

Dit weekend herdacht minister Timmermans van Buitenlandse Zaken de slachtoffers van de atoombom in Hiroshima. Hij was in Japan voor een conferentie over nucleaire ontwapening.

Surti

Standaard

Ze was zo’n lieve vrouw. Behulpzaam. Je kon ontzettend met haar lachen. Genieten van het leven. Dat probeerde ze. Zoveel mogelijk.

Het liefst ging ze met haar vriendinnen op vliegvakantie. Samen stukjes van de wereld zien, zei ze altijd, daar word ik gelukkig van. Overal was ze geweest. Tenerife. Korfu. Isla Margarita. Maar niet met mij, haar hartsvriendin. Ik durfde nooit met haar mee te gaan. Sinds 9/11 heb ik verschrikkelijke vliegangst. ‘ Maak je geen zorgen mati’ zei Surti altijd tegen me als ze op het vliegtuig stapte en ik haar smeekte om niet te gaan , ‘er gebeurt niks.’

Van de radar geraakt op tien kilometer hoogte.

Rusteloos zwierf ik door de kamers van mijn huis. Plotseling leken de onzichtbare draden, die alles bijeen hielden, te zijn doorgesneden. In de bijkeuken, zonder dat ik er erg in had, vouwde ik de was binnenste buiten op. Niets had gewicht meer. Alles zweefde. Los gezongen van de Hongaarse servieskast in de eetkamerhoek. Van mijn man en kinderen. Zo voelde ik me. De telefoonstem van mijn moeder die zei ‘ Ga nou niet de hele dag thuis lopen malen hè’ drong niet of nauwelijks tot me door.

Ik geloofde het gewoon niet. Dat een Boeing 777 het dag in dag uit, week in week uit, van satellieten kon winnen met verstoppertje spelen.

Deze keer was het anders geweest. Surti ging alleen op reis. Haar ex-man Farid had haar geholpen met inpakken. ‘Zorg goed voor mijn huis’, had ze hem gevraagd. Naar Indonesië ging ze, om haar familie op te zoeken. En om de liefde van haar leven te treffen. Ze had hem leren kennen via internet. Een politieagent of een marinier. Mannen in uniform, daar hield ze van. Hij was misschien wel de ware, vertelde ze me met een glunderend gezicht de zondag voor haar vertrek. In Kuala Lumpur zou ze hem ontmoeten.

Een week later hing ze in tranen aan de telefoon. Die man was nooit komen opdagen. Alleen een zogenaamde broer. Die gaf haar een adres. Toen ze aan een taxichauffeur vroeg of hij haar naar het opgegeven adres wilde brengen, weigerde hij. Te gevaarlijke buurt.

Farid is een paar dagen de stad uit. Ik pas nu op Surti’s huis in Osdorp, twee straten van mij vandaan. De wajang poppen in de vensterbank. De lijst met opgezette vlinders in de hal. Net als ik wachten ze op de terugkeer van Surti. We kunnen het gewoon niet accepteren, de dingen en ik. Het is vast allemaal een slechte grap. Een lelijke vergissing.

Alles is nog mogelijk. De Italiaan en de Oostenrijker die op de passagierslijst stonden, bleken achteraf ook niet in het vliegtuig te zitten. En als ze toch in dat vliegtuig zat, heeft het vast ergens een noodlanding gemaakt. Is ze nu samen met de andere passagiers aan het survivallen ergens op een onbewoond eiland in de Indische Oceaan. Want die piloot vloog al meer dan dertig jaar voor Malaysia Airlines. 18.365 Vlieguren heeft hij op zijn naam staan, las ik in de krant. Zo dol was die man op vliegen dat hij thuis een simulator had nagebouwd van een Boeing 777. Zo’n ervaren iemand zet zo’n kist gewoon aan de grond. Weer of geen weer. Met of zonder storing aan de motor.

We hingen op. Ik had zo met Surti te doen. Eenzaam. Geen familie in Nederland. Geen geluk in de liefde. Dat was een kant van haar die niet veel mensen kenden. Vrolijk. Altijd een lach voor je klaar. Dat was wat ze aan de buitenwereld liet zien. Maar Surti staat dichter bij me dan mijn eigen zus. Ik ken haar geheimen, haar donkere momenten. Soms voelde ze zich zo alleen, zo lelijk en afgewezen, dat ze fantaseerde over haar eigen einde. Op een doordeweekse dag zou ze thuiskomen van haar werk in de beauty salon. Ze zou haar potje koken en op de bank naar een woordquiz kijken, bord op schoot. Misschien zou ze naderhand een kaartje leggen op de computer of de Da Vinci Code uitlezen in de comfortabele stoel bij het raam met haar favoriete pianoconcert van Mozart op de achtergrond. Misschien zou ze een laatste telefoontje plegen met mij of met een andere vriendin. En dan, tegen een uur of tien, zou ze zomaar, zonder er echt over na te denken, het besluit nemen alle antidepressiva die ze in huis heeft weg te spoelen met een glas water uit de keukenkraan. Ze zou de pillen innemen, rustig, uit het vuistje, en op bed gaan liggen. En als de volgende ochtend de wekker om zes uur zou afgaan, zou er niemand meer zijn om het ding uit te zetten.

De satellietbeelden. Geen hoop meer.

Buiten op het achterbalkon van Surti’s huis rook ik een kruidnagelsigaretje. Nummer 130 op de passagierslijst was ze. Ik vraag me af wie er in de stoel naast haar zat in het vliegtuig. Tegen wie ze haar laatste woorden sprak. Of iemand haar hand vasthield. Was het een van de schilders uit Peking en Sichuan die net een expositie hadden gehad in Kuala Lumpur? Die jonge Indonesiër die net een driejarig contract had getekend bij een Chinese oliemaatschappij? Of die vrouw uit Parijs, die samen met haar dochter, haar zoon en zijn vriendinnetje terugvloog van een korte vakantie in Maleisië, op weg naar de Chinese hoofdstad waar de vader van de kinderen, een Franse zakenman die in een ander vliegtuig op weg was naar Peking, hen zou opwachten in de transit hal?

Hard blaas ik de rook voor me uit. Trut, denk ik. Waarom moest je zo nodig via Peking terugvliegen? Omdat het goedkoper was dan een rechtstreekse vlucht van Kuala Lumpur? Waarom kon je godverdomme niet voor één keer in je leven je vlucht missen?

In de hoek van de benedentuin staan plastic zomerstoelen opgestapeld. Een voorjaarswind doet de takken van de populier licht voorover buigen. Afgerukte boombladeren worden van het zitvlak van de bovenste stoel getild en heen en weer geblazen tussen de armleuningen. Sommigen blijven hangen aan het witte plastic.

Ik zie de dralende beweging van de wind en denk heel even dat zij het is. Het verleden moet toch ergens zijn. Het kan niet zomaar in het niets verdwijnen. Surti, maar ook andere mensen die ik ooit heb gekend: in het hart van bepaalde wijken, in kamers en straten, in parken en tuinen waar we samen gedeelde herinneringen hebben achtergelaten; daar zou ik ze altijd kunnen blijven terugvinden. Zo heb ik me dat altijd voorgesteld: dat er plekken zijn waar de doden en de levenden, die je uit het oog verloren bent, een parallel leven leiden, ergens buiten de tijd.

Ik kijk nog een keer de tuin in. Ze is er niet.

PS.

Surti Dahlia, een 50-jarige vrouw uit Osdorp, was de enige Nederlandse passagier aan boord van vlucht MH 370.