KUS (9)

Standaard

 

2018-10-13 14.07.39

Ever tried? Ever failed? No matter. Try again. Fail again. Fail better. (Samuel Beckett)

Begin jaren negentig vond er in de Bijlmer een wonder plaats. In de gezamenlijke woonkamer van mijn eerste studentenwoning tikte een engel me op de schouder. ‘Kijk’, fluisterde ze in mijn oor, ‘daar’. Op de bank, half verstopt onder de kussens, lag een dik boek met een beige kaft. Een huisgenoot had het laten rondslingeren.

Ik pakte het boek op. Homeros, stond er op de voorkant. Nooit van gehoord.

Voor mijn 20ste had ik uit vrije wil nog nooit een boek gelezen, behalve Kuifje en Wipneus en Pim. De leeslijst op de middelbare school was een oersaaie verplichting. Aan Oeroeg beleefde ik nul plezier. Blowen en zuipen. Op zaterdag achter de meiden aan in discotheek La Riche. Rondcrossen door de Rhenense bossen op een opgevoerde Yamaha. Dat was de shit.

Op mijn 19de was ik naar Amsterdam verhuisd als student Europese Studies, de ideale springplank naar het diplomatenklasje in Den Haag. Deze horde genomen, wachtte me een gouden toekomst op Nederlandse ambassades wereldwijd. Viceconsul in verre oorden met een auto van de zaak. Zo zag ik mijn post-universitaire leven voor me toen ik op kamers ging in een Bijlmerflat naast metrostation Ganzenhoef en mijn eerste colleges bijwoonde in de Oudemanhuispoort.

Achilles

Achilles

‘Sla het boek open’, maande de engel. Ik las de eerste zin: “Vertel, Muse, vertel van de wrok van Achilles.” Een week later, 750 pagina’s verder, was ik verkocht. Oorlog en vrede. Liefde en wanhoop. Het gekonkel van de goden, magie en avontuur.  Één grote roes. Zo ervoer ik het lezen van de Ilias en de Odyssee. Een geestverruimende reis door een mythisch landschap op het strijdros van de taal.

Ik ontdekte ook andere dingen.

In een boek kon ik verdwijnen. Net als de schrijver, die in zijn verhaal verbleef als een god, onzichtbaar en alom aanwezig. “…within or behind or beyond or above his handiwork,… refined out of existence, indifferent, pairing his fingernails.

Als ik las, was ik minder alleen. Ik maakte denkbeeldige vrienden voor het leven. Door de precisie van de details zag ik ze glashelder voor me. Agamemnon en Menelaos. Circe en de Cycloop. Odysseus en Penelope.

Tijdens het lezen veranderde mijn beleving van tijd. Werden minuten uren. Kreeg een avond de diepte van een jaar.

Woorden en zinnen, beelden en metaforen slepen langs elkaar heen als slijpstenen. Vonken ontstonden. Lichtflitsen onthulden het stille woud van de verbeelding, een plek zonder klokken, met geen kompas te vinden. In dit in facetten geslepen diamantbos was alles mogelijk. Bestonden er geen grenzen. Metamorfoses te over. Geleide hallucinaties.

In één klap was ik verslaafd. Als een junkie, te beginnen bij Plato en Sophocles, begon ik mezelf, naast mijn studie, chronologisch vol te spuiten met Westerse literatuur en filosofie, drama en poëzie. De centrale bibliotheek aan de Prinsengracht en een tweedehandsboekhandel op de Kloveniersburgwal werden mijn crackdealers.

2018-10-29 12.17.38

Via Aeschylus, Euripides en Aristoteles, Vergilius en Ovidius, Boethius en Sint Augustinus, Dante en Boccaccio, Cervantes en de verzamelde werken van Shakespeare stoomde ik door naar Spinoza, Pascal en Montaigne, Goethe en Schiller, Vasari en Manzoni, Pushkin, Gogol, Tolstoy, Dostoyevski, Tsjechov, Brjoesov en Turgenev, Milton, Defoe en Thackery, Wordsworth, Coleridge en Byron, Sterne en Fielding, George Elliot, Jane Austen en de Brönte zusjes, Dickens, Henry James, Thomas Hardy, D.H. Lawrence en Oscar Wilde, Rabelais, La Fontaine, Racine en Corneille, Voltaire en Rousseau, De Sade, Anatole France en Maupassant, Balzac, Stendhal, Zola, Rimbaud, Baudelaire, Mallarmé, Verlaine, Valery, Apollinaire, Flaubert, de Goncourts en Jean Cocteau, Hölderlin, Schopenhauer, Nietzsche, Rilke, Jung en Freud, Strindberg en Kierkegaard, Mark Twain, Edgar Allan Poe, Walt Whitman en Moby Dick, met als toetje de biografieën van Bach, Beethoven, Mozart, Schubert, Chopin en Schumann, Brahms, Wagner, Debussy, Stravinsky, de Filosofie van de nieuwe muziek van Adorno en de briefwisseling tussen Arnold Schönberg en Wassily Kandinsky.

Geen diplomatenklasje meer voor mij. Na Europese Studies stortte ik me op mijn tweede studie: literatuurwetenschappen. Inmiddels was mijn leesproject aanbeland bij het Interbellum, een grandioos explosieve periode waarin de kunstwereld zich opnieuw uitvond. Als een kind in een snoepwinkel propte ik me vol met Apes of god van Wyndham Lewis en Nightwood van Djuna Barnes, Scott Fitzgerald, Hemmingway en Faulkner, Van Ostaijen, Nescio en Achterberg, Joyce, Beckett en Kafka, Woolf, Döblin en Canetti, Thomas Mann, Bertolt Brecht, Thomas Bernard, Robert Musil en Petersburg van Andrei Bely.

2018-10-29 12.13.40

Maar mijn mooiste dagen in mijn leven als lezer waren de maanden die ik doorbracht met Marcel en de hostie van de madeleine die, gedoopt in bloesemthee, verleden en heden op zijn tong doen samensmelten tot een even vluchtig als paradijselijk moment van belichaamde tijd.

In mei 1997 studeerde ik summa cum laude af op À la recherche du temps perdu van Marcel Proust. Een aio-schap lag in de lijn der verwachting. Maar ik had mijn besluit genomen. Ik wilde zelf schrijver worden. Ik kocht een nieuwe pen en een schrijfblok en begon, werkte in de horeca om mijn geld te verdienen.

Toen ik begon met schrijven las ik in Rilke’s Brieven aan een jonge dichter de volgende vraag: “Onderzoek de reden die u dwingt te schrijven; ga na of die reden tot in het diepst van uw hart zijn wortels uitstrekt;…En vooral dit: vraag uzelf in het stilste uur van uw nacht af: moet ik schrijven?”

Ik stemde mijn leven af op deze noodzaak. Ik schreef een novelle, zeven theaterstukken, korte verhalen, drie ongepubliceerde romans. Maar de stemmen in mijn hoofd van alle geweldige schrijvers die ik gelezen had, overschreeuwden mijn eigen stem. Hoe zou ik ooit kunnen tippen aan De Verloofden van Manzoni, Tale of two cities of La terre, aan Schuld en boete, Mrs Dalloway of Der Mann ohne Eigenschaften? Wat was mijn plek te midden van de reuzen uit de wereldliteratuur?

Marcel_Proust_plaque_-_102_Boulevard_Haussmann,_Paris_8

Op zoek naar inspiratie ondernam ik twee literary pilgrimages. Ik bezocht het schrijfappartement van Proust aan de Boulevard Haussmann 102 in Parijs, waar hij op Oudejaarsavond 1909 een stukje toast in een kopje kruidenthee doopte en de diep begraven herinnering aan zijn kindertijd in zijn tantes plattelandshuis in Illiers-Combray zich openbaarde, de mémoire involontaire die het startpunt zou vormen voor de Recherche. Maar quelle horreur! De kurkplaten waarmee Proust, als zware astma-patiënt extreem gevoelig voor geluid en stof, zijn kamer had laten afzetten om tien jaar jaar lang in stilte te kunnen schrijven, waren pas vervangen. Ze glommen en oogden nep. De aangrenzende salon werd door de bank die het pand beheerde als vergaderzaal gebruikt.

Later nam ik een kijkje in het James Joyce museum in de Martello Tower in Sandycove, Dublin, waar het openingshoofdstuk van Ulysses zich afspeelt. De geest van mijn tweede literaire held, verantwoordelijk voor onvergetelijke zinnen als “With hungered flesh obscurely he mutely craved to adore”, was ver te zoeken in de ronde, wit beschilderde kamer. Als 22-jarige had hij er zes dagen gewoond met zijn vrienden Gogarty en Trench. In de zesde nacht schrok Trench wakker. Hij greep zijn pistool en schoot in het donker op de zwarte panter die hij in zijn droom had gezien. Gogarthy pakte het pistool af en vuurde een tweede salvo af vlak boven Joyce zijn bed om Trench tot bedaren te brengen. Joyce, lijkbleek, stapte uit bed, trok zijn kleren en schoenen aan, pakte zijn koffer met schrijfspullen en verliet de toren, om nooit meer terug te keren.

Joyce martello-tower-2

De kamer van Joyce in de Martello tower

Teleurgesteld zocht ik troost in de Proust biografie van Painter en de Joyce biografie van Ellmann. Ik las over de legende van hun eenmalige ontmoeting in de Parijse woning van de Schiffs, een steenrijk Engels echtpaar, mecenassen van de kunsten. Op 18 mei 1922, na afloop van de première van Renard, een opera-ballet van Igor Stravinksy, gaven de Schiffs een laat souper voor Diaghilev en zijn Ballets russes dansers en voor de vier kunstenaars die het echtpaar het meest bewonderde: Stravinksy, Picasso, Joyce en Proust.

Marcel Proust

Portrait of French author Marcel Proust. Photograph taken at the Hotel Ritz in 1902. (Photo by Photo 12/ UIG via Getty Images)

(Proust, die al dertien jaar nauwelijks buiten kwam, levend op een nachtelijk dieet van café au lait en ijskoude biertjes aangesleept uit het Ritz hotel door zijn trouwe bediende Celeste Albaret, de zelfverkozen kluizenaar van de Boulevard Haussmann die ’s nachts werkte aan de langste roman ooit geschreven en overdag sliep, de voormalige bourgeois snob die zich het liefst ophield in aristocratische kringen, die nooit een dag in zijn leven had hoeven werken en kon leven van de erfenis van zijn moeder, een vrijgezelle homoseksueel die zes maanden na de ontmoeting met Joyce, op 18 november 1922, zou overlijden en in zijn testament liet opnemen dat de meubels van zijn appartement gedoneerd diende te worden aan een exclusief mannenbordeel gerund door de bediende van een graaf.

2018-10-29 12.12.43

Joyce, sinds jaar en dag samen met Nora Barnacle, een kamermeisje uit Galway, slecht ziend, leraar Engels, vader van een zoon en een mentaal ziek meisje, Ier, zware roker en drinker, vrijwillig banneling, verhuisd van Dublin naar Parijs, naar Joegoslavië, naar Triest, naar Rome, naar Zürich en weer terug naar Parijs waar Ulysses uitkwam op de dag van zijn verjaardag, 2 februari 1922, drie maanden voor zijn ontmoeting met Proust, op wiens begrafenis in november van datzelfde jaar hij aanwezig zou zijn.)

Joyce arriveerde laat bij de Schiffs. Hij verontschuldigde zich voor zijn slonzige kleding. Straatarm, kon hij zich geen net pak veroorloven. Juist zette hij het op een drinken om zijn schaamte te verbergen toen nachtvogel Proust binnenkwam in een zwarte bontjas.

“He looked like the hero of The Sorrows of Satan“, zei Joyce later tegen een vriend.

De twee grootste schrijvers van de 20ste eeuw werden door de Schiffs aan elkaar voorgesteld en gingen naast elkaar zitten. Er bestaan verschillende versies over de inhoud van hun gesprek.

In de eerste versie zegt Joyce: ‘Ik heb hoofdpijn en last van mijn ogen’, waarop Proust reageert: ‘Ik heb last van mijn buik. Maar wat doe je eraan?’

In de tweede vraagt Proust: ‘Houdt u van truffels?’, waarop Joyce antwoordt: ‘Jazeker.’

In de derde bekennen Proust en Joyce elkaars werk niet te kennen.

“Our talk”, zei Joyce naderhand tegen een andere vriend, “consisted solely of the word “No.”

2018-04-15 10.59.50-2

Aan het slot van Le Temps Retrouvé, het laatste deel van de 7-delige Proust-cyclus, staat de verteller Marcel op het punt het bijna 3500 pagina’s dikke boek te gaan schrijven dat de lezer bijna uit heeft. In de salon van Mme de Guermantes hoort de oudere Marcel, op een plek diep in zijn herinnering, de voetstappen van zijn ouders beneden in de gang terwijl ze Swann begeleiden naar de deur en, even later, de bel van het tuinhek, het teken dat de bezoeker is vertrokken en zijn moeder weldra naar boven zal komen om de jonge Marcel in te stoppen en welterusten te wensen. Wankelend op de lange stelten van de tijd, vanaf duizelingwekkende hoogte, ziet hij zijn jaren onder zich liggen.

In de weken voordat Kus vorm en inhoud begon te krijgen, dacht ik vaak terug aan de voetstappen van mijn vader en moeder beneden in de gang. Ik herinnerde me de koffers bij de kapstok onderaan de trap. Hoorde de slaande voordeur terwijl ik boven in bed lag. Het motorgeluid van mijn vaders auto die in zijn achteruit wegreed de oprit af, de verscheurde nacht in.

Als ik later groot ben ga ik het anders doen, nam ik mezelf voor na de scheiding van mijn ouders. Maar jaren later was ik zelf een alleenstaande vader met twee zoontjes. Falen als vader is falen als mens, zo voelde het soms. Aan de andere kant: houden van je kinderen en weggaan bij je gezin zijn twee verschillende dingen.

2018-10-29 12.36.59

Uiteindelijk vond ik mijn verhaal, de basis van ‘Kus’: het kind is de vader van de man. Binnen deze driehoeksverhouding, waarin de tijd heen en weer spoelt tussen drie generaties, zou het vader-zoon verhaal zich afspelen.

In de drie jaar dat ik aan ‘Kus’ werkte, schreven grote delen zich vanzelf. Alsof de woorden als paarden in een schaakspel voor mijn eigen gedachten uitsprongen. Alsof het verhaal er al was. Het enige wat ik hoefde te doen was de stilte op te zoeken. Aandachtig luisteren naar de bel en de voetstappen in de gang die op een Proustiaanse plek binnenin mij lagen opgetast. Met woorden deze innerlijke symbolen te vertalen naar een intieme, persoonlijke, donkere en liefdevolle vertelling.

In ‘Kus’ ontdekt de zoon Feysel zichzelf als schrijver nadat zijn vader voorgoed uit zijn leven is verdwenen. Hij is 16, dezelfde leeftijd die ik had toen mijn vader wegging. Feysels wereld kantelt, rafelt en schrijnt aan de randen. Hij houdt een dagboek bij om een zekere grip op zichzelf te houden. In de kantlijn schrijft hij hier en daar de aanzet tot een gedicht. Uit dit schrijven spreekt de vreugde een soort tijdelijke plek gevonden te hebben.

‘Een stille, talige plek ver weg van de gewone wereld waar ik mijn verwarde gevoelens en gedachten trachtte te vangen met de lasso van rijm en metafoor.’ (uit: Kus)

Op mijn schrijfkamer boven op zolder legde ik mijn pen neer. Ik keek door het raam naar buiten, de nacht in, net als de jonge Feysel in het boek. Verleden en heden, fictie en realiteit, lezen en schrijven vielen samen. Mijn plek tussen de reuzen. Ik had hem gevonden.

‘Terwijl ik schreef keek ik zo nu en dan op van mijn dagboek. Door mijn slaapkamerraam zag ik de sterren en de maan aan de hemel. Hoe nietig, dacht ik, was de kleine plek die ik innam aan mijn schrijftafel, zo miniem in vergelijking met de rest van de ruimte waar ik niet was. Hoe kort was de tijd die ik had, zo nietszeggend tegenover de eeuwen waarin ik niet was en nooit zou zijn. Tegelijkertijd, in de minuscule atoomwolk die ik was, werkten hersenen. Huisden verlangens. Raasde bloed.’ (uit: Kus)

2018-04-18 17.59.44

Nu in de winkel: mijn debuutroman Kus. Dit was een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit was de Umwelt van Kus.

http://www.vanoorschot.nl

https://www.groene.nl/artikel/tussen-dood-en-leven

https://www.nd.nl/nieuws/boeken/literatuur-kus-julien-ignacio.3160622.lynkx

https://www.hebban.nl/recensies/jan-stoel-over-kus

https://www.literairnederland.nl/recensie-julien-ignacio-kus/

http://www.julienignacio.com

 

 

 

 

 

 

KUS (8)

Standaard
2018-10-07 14.33.38

Foto: Koos Breukel

Kijken naar een foto is kijken naar een dode ster. Lang geleden begon het licht van een dergelijke ster zijn reis door het heelal, op weg naar je netvlies. Ergens onderweg, voordat het licht het blote oog bereikte, gaf de ster de geest. Ook een foto is een confrontatie met een geest. Het portret van je geliefde op je mobiele telefoon. De vergeelde trouwfoto van je grootouders. Een polaroid uit je babytijd. Het zijn geesten die je aankijken vanuit het verleden, levend gehouden door licht.

2018-10-07 14.29.33

Foto: Koos Breukel

In het licht van onze sterfelijkheid biedt een foto ons een kostbare illusie. We fotograferen om te bewaren, te herinneren, het moment te bevriezen. Foto’s zijn spoorvangers van het ongrijpbare spookdier van de tijd. Zeker als we onze kinderen  zien opgroeien – je knippert met je ogen en de hulpeloze baby met de fontanel die rook naar een snufje ozon en een vleugje karamel is een kleine, grote jongen geworden in het bezit van een eigen wil, fantasie en overtuiging – kunnen we ze niet vaak genoeg vastleggen op de gevoelige plaat. Anders dan een verhaal of tekening, een gedicht, schilderij of anekdote, is een foto geen interpretatie van ons kind, maar een miniatuur-realiteit, een deel en verlengstuk van zijn bestaan.

“Ieder moment zonk het gebit van de tijd dieper je huid in. Iedere minuut liet het een tandafdruk achter, nauwelijks waarneembaar voor het blote oog. Alleen de groeistrepen op de muur van je kinderkamer, een stijgende ladder van lengtematen, en de foto’s die ik van je nam, markeerden zichtbaar de steeds langer wordende stelten van de verloren tijd.” (uit: Kus)

IRELAND. Dublin. 1962.

Foto: Henri Cartier-Bresson

Foto’s zijn overal: op internet en op straat, in de media en in familiealbums, in musea en galeries. Ze hebben de kracht te choqueren, te idealiseren en te verleiden. Ze roepen sensaties op van nostalgie, zetten aan tot mijmering en functioneren als gedenktekens. Waarom hechten we zo veel waarden aan foto’s? Waarom lijken we de wereld in groeiende mate te beschouwen als een oneindig visueel reservoir van potentiële fotografische beelden?

On photography (1977) van Susan Sontag onderzoekt fotografie als esthetisch-filosofisch en sociaal- maatschappelijk fenomeen. In de grot van Plato, stelt Sontag, was de schaduw een vluchtige, immateriële afbeelding van de realiteit die het weerspiegelde, een inferieure kopie van het origineel. In het tijdperk van de fotografie lijkt eerder het omgekeerde het geval. “…the force of photographic images comes from their being material realities in their own right, richly informative deposits left in the wake of whatever emitted them, potent means for turning the tables on reality – for turning it into a shadow.”

Een overtrokken statement, wellicht. Maar Sontag heeft wel degelijk een punt. Als we bijvoorbeeld een heftige, angstaanjagende gebeurtenis hebben meegemaakt – een ongeluk, een aanslag – is het heel gewoon deze te omschrijven als ‘het was net een film’. Dat wil zeggen: een andere omschrijving van de gebeurtenis is niet toereikend genoeg om uit te leggen hoe echt het was.

Henri Cartier Bresson 6

Foto: Henri Cartier-Bresson

Dat een beeld of een foto wedijvert met de realiteit die het afbeeldt, is volgens Sontag niets nieuw. Het is eerder een vorm van historische regressie. Hoe verder we teruggaan in de tijd, hoe minder scherp het onderscheid tussen beeld en realiteit. In “primitieve” samenlevingen was een grottekening, een heilig beeld of een totempaal meer dan een visuele representatie. Afbeeldingen waren manieren om de natuurlijke en metafysische krachten van deze wereld onder controle te krijgen, ze in bezit te nemen. Beeld en realiteit waren verschillende manifestaties van dezelfde energie. De geest van de bizon was in zijn grottekening aanwezig. Een Amazone indiaan, onbekend met het fenomeen fotografie, is daarom not amused wanneer hij zichzelf terugziet op een foto. Hij en de foto zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zijn portretfoto snijdt een plak weg van zijn ziel, die hij als een ondeelbaar en onsterfelijk deel van zichzelf beschouwt, en zet het gevangen achter tralies van vernis.

“…to presume that the image is absolutely distinct from the object depicted…seperates us irrevocably from the world of sacred times and places in which an image was taken to participate in the reality of the object depicted. What defines the originality of photography is that….it revives – in wholly secular terms – something like the primitive status of images. Our irrepressible feeling that the photographic process is something magical has a genuine basis. A photograph is not only like its subject, a hommage… It is part of, an extension of that subject.”

Henri Cartier-Bresson 7

Foto: Henri Cartier-Bresson

In ‘Kus’, nadat hij zijn gezin heeft verlaten, volgt een vader zijn zoon met zijn fotocamera. De foto’s die hij neemt van het kind – één voor iedere dag dat hij niet bij hem is – vullen de muren van zijn studio.  “…we have in a photograph surrogate possession of a cherished person or thing, a possession which gives photographs some of the character of unique objects.”

“In mijn ogen bezaten je portretten de magische kwaliteiten van grottekeningen. Tussen jou en de foto’s bestond geen wezenlijk verschil. Je was erin aanwezig. Jij en je portretfoto waren twee manifestaties van dezelfde energie, dezelfde geest. Wat ik had gevonden, waar ik naar keek, was een manier je te bezweren, gevangen in licht.” (uit: Kus)

De vader fotografeert de zoon iedere dag met de obsessie van een stalker. Voordat de stroom van de tijd een willekeurig moment uit het leven van zijn kind wegspoelt en vervangt voor een volgende, plaatst een foto zijn kind in een onsterfelijk licht.

After the event has ended, the picture will still exist, conferring on the event a kind of immortality (and importance) it would never otherwise have enjoyed.”

Tegelijkertijd is iedere foto een memento mori.

Precisely by slicing out this moment and freezing it, all photographs testify to time’s relentless melt.

Henri Cartier Bresson 9

Foto: Henri Cartier-Bresson

Binnen deze twee tegenstrijdigheden beweegt het gefotografeerde kind over het dunne trapezekoord van de tijd. Wat rest voor de vader zijn pogingen vanachter zijn lens het leven van de zoon op de staart te trappen. Op een warme nazomermiddag volgt hij het kind naar een braakliggend industrieterrein, langs de oever van het stadskanaal. De zoon en twee vrienden uit de buurt gooien hun kleren uit en rennen een betonnen steiger af.

“Je zette je af van de rand en sprong. Je rug hol, je borst naar voren gestoken in volle sprint. Het contrast tussen je silhouet in het tegenlicht en de glinstering van het zonlicht op het metaalgroene water. De dansende beweging van je opgetrokken benen en omhoog zwaaiende armen. Het rauwe gevoel van spontaniteit. De pure joie de vivre.” (uit: Kus)

2018-10-06 12.28.09

Foto: Martin Munkácsi

De vader stelt scherp, ademt in en drukt op de ontspanknop. Ademt hij weer uit dan heeft de foto het heden als verleden bestempeld. “Is het niet zo”, schreef Magnum fotograaf Henri Cartier-Bresson, “dat tijd stroomt, voort rent, en dat alleen de dood haar de pas kan afsnijden? Is dan een foto niet een zwaard dat een lap vlees snijdt uit de eeuwigheid?”

Voor de vader zijn deze woorden een troostrijke gedachte. Zijn kind beschermen tegen het mes van het leven is onmogelijk. Door foto’s te nemen wordt hij zelf het zwaard.

“Ik keek naar de foto en zag geen mes van het leven meer waar je in kon vallen. Ik was dat mes, het roofdier, de scherpschutter in de bosjes. Ik legde mijn camera aan. Vuurde een schot af in je rug. Je sprong stilgelegd. Je foto de registratie van een zachte dood.” (uit: Kus)

2018-04-18 17.59.44

Nu in de winkel: mijn debuutroman Kus. Dit is een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer de laatste: Marcel Proust.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

 

 

 

KUS (7)

Standaard

2017-09-22 12.00.11-1

Jazz of elektro. Pop of klassiek. Volksmuziek of death metal. De soundtrack van ons leven trekt zich niets aan van genres.

Muziek en herinnering voeren soms een lichtvoetige dans met elkaar uit, soms een danse macabre. In de documentaire Crazy van Heddy Honigmann herinneren Nederlandse VN-militairen zich hun oorlogsmissies aan de hand van de muziek waar ze naar luisterden op hun observatieposten. Voor één militair is de burgeroorlog in Libanon onlosmakelijk verbonden met het liefdeslied Always on my mind van Elvis Presley. Een vrouwelijke blauwhelm kan niet luisteren naar het Stabat Mater van Pergolesi, 18e eeuwse religieuze muziek voor sopraan, contratenor en strijkers, zonder terug te denken aan de kinderen in Cambodja die door hun wanhopige ouders voor 5 dollar te koop werden aangeboden bij het hek van de compound.

De schoonheid van een melodie en de waanzin van oorlog; in ons geheugen gaan ze prima hand in hand. In ‘Kus’ brengt de vader van de verteller, een ex-militair met PTST, uren door in de zitkuil in de woonkamer, voor zich uit starend met een koptelefoon op.

Uit de koptelefoon sijpelden gedempte klanken. Aanzwel­lende violen. Een lyrische heldentenor. Ik wist waar hij naar luisterde: ‘Nessun dorma’, een aria van Puccini. ‘Laat ’m maar,’ zei mijn moeder altijd vergoelijkend wanneer mijn vader in vol ornaat in de zitkuil zat, weg­dromend bij zijn operamuziek. ‘Dat nummer draaide hij altijd op zijn observatiepost, tussen de patrouilles door.’” (uit: Kus)

Mijn jonge jeugdjaren speelden zich af in de jaren ’70. De rauwe engelenstem van Stevie Nicks belichaamt voor mij die periode. Ik moet een jaar of negen zijn geweest toen ik Sara van Fleetwood Mac voor het eerst hoorde op de radio. Nog steeds, zodra ik het nummer hoor, ruik ik de perzikenboom in de achtertuin van mijn ouderlijk huis. Voel ik de vlinders in mijn buik als ik in de pauze op het schoolplein in de blauwe ogen durfde te kijken van Sofie Speelman.

Wat ik toen niet wist, was dat Sara geschreven is ter nagedachtenis van een ongeboren kind. In een interview uit 2014 met Billboard vertelt Stevie Nicks dat ze ooit een affaire had met Don Henley van de EaglesZe werd zwanger van hem, maar besloot het kind niet te houden. “Had I married Don”, zegt Nick in het interview, “and had that baby and had she been a girl, I would have called her Sara.” Ik las deze onthulling tijdens het schrijven van Kus, een verhaal over de onmogelijkheid van een ouder zijn kind te beschermen tegen het leven. Het gaf Sara een nieuwe betekenis die aansloot bij de geest van mijn verhaal.

“Uit de boxen naast de hoedenplank klonk ‘Sara’ van Fleedwood Mac. Drowning in the sea of love where everyo­ne would love to drown.” (uit: Kus)

Fast forward naar 1992. Ik woonde alleen in een antikraakpand aan de Admiraal de Ruyterweg. Als bleue student uit de provincie probeerde ik in Amsterdam mijn mojo te vinden. Ik had geen tv, wel een goedkope stereo-installatie. Tussen de colleges door luisterde ik veel naar de radio, meestal klassiek, of naar de tweedehands lp’s die ik kocht op het Waterlooplein, gruizige opnames van de Derde van Beethoven, Water Music van Händel, het vioolconcert van Sibelius. 

Op een woensdagmiddag kondigde de klassieke radiozender een Shostakovitsj marathon aan. Alle vijftien strijkkwartetten, iedere week één, telkens uitgezonden op dezelfde tijd. Het melancholische klankpalet van de kamermuziek raakte een diepe snaar. De woensdagmiddag voor de radio werd een tijdlang het hoogtepunt van mijn week. Ik hoorde hartverscheurende composities die dansten in hun ketenen. Op schrijnende largo’s volgden woeste polka’s. Ik herinner me dat ik tijdens het allegro non troppo van het derde strijkkwartet wilde door de kamer sprong, headbangend en zwetend van uitzinnig genot.

Ik heb de muziek voor je meegenomen op mijn tele­foon. Luister naar deze passage van Sjostakovitsj. In de schurende glissandi van de violen hoorde ik de terreur van leegte die in mij huishield. En dit pianostuk van De­bussy: in de ijle, langs elkaar heen schuivende harmonie­ën zonder schijnbaar doel of richting, herkende ik het fletse schijnsel van mijn leven in een wereld die schrijnde en rafelde aan de randen.”  (uit: Kus)

Het ging in die tijd niet goed met mij. Ik zat slecht in mijn vel. Blowde veel. Speelde met suïcidale gedachten. Op een studentenfeestje kreeg ik een paniekaanval. De stemmen, de gezichten, ze vlogen me naar de keel. Ik vluchtte het café uit. Als een bezetene fietste ik naar huis, op de hielen gezeten door mijn eigen gedachten.

Thuis trok ik de rood velours gordijnen dicht. Ik nam een lange, hete douche, stak de stompkaarsen aan op de schouw en koos een lp uit die ik nog niet had beluisterd. Ik had geen idee waarom ik de plaat op het Waterlooplein had gekocht, misschien vanwege de fraaie potloodschets van de componist op de voorkant van de hoes. 12 etudes van Debussy stond erop de achterkant, met als toetje L’íle joyeuse. Nooit van gehoord.

Etude nummer drie begon, “pour les quarts”, een oefening in het spelen van gebonden kwarten, Debussy’s favoriete interval. In het kaars verlichte donker lag ik op mijn rug op de vermolmde houten vloer in een groot, leeg huis met een vochtige kelder waar ratten rondkropen. De gaskachel sputterde tegen. Ik voelde me leeg, verward, onzeker. Maar uit de boxen weefde een ragfijn web van sonoriteiten zich een weg bij mij naar binnen. Versluierde melodische lijnen voerden me mee naar onvermoede plekken. Innerlijke ruimtes waarin mijn angstige eenzaamheid oploste en schoonheid en verbeelding het overnamen. Ik dwaalde door in facetten geslepen diamantbossen. Zwom als een vis van goud door een zee van glas. Ik geloof niet in een ziel, maar als ik er één had, werd hij door de etude aangeraakt, bewogen, opgetild.

In de laatste noot, een wegstervende, lage C, vond ik mezelf terug.

Fast forward naar 2018. Een confessie: ik ben een boomknuffelaar geworden. Bij mij thuis om de hoek, op het Frederik Hendriksplein, staat een plataan. Knoestig, dik, oud en hoog. De brede stam mondt uit in duizendvingerige takken. “Groot als een monument voor het geduld”, in de woorden van de Mexicaanse dichter Octavio Paz.

Als ik me mijn mojo weer eens kwijt ben, me leeg en onrustig voel, pak ik mijn sleutels. Ik loop naar buiten, steek de straat over en zoek mijn boom op. Ik omhels de plataan stevig, druk mijn wang tegen zijn schors en doe mijn ogen dicht. Ik luister naar de sappen die van kruin tot wortel door hem heen stromen, zoals er bloed loopt door mijn aderen. Ik realiseer me dat hij bestaat uit atomen en moleculen, net als ik. Dat al het leven familie is van elkaar en dat de boom en ik, op basis van ons DNA, ergens ver terug een gemeenschappelijke voorouder delen.

Misschien zijn bomen – of hun takken in een open vuur- wel de oudste plek waar onze voorouders elkaar ooit verhalen begonnen te vertellen. Bomen zelf zijn soms ook onderwerp van lokale mythes. Op Curaçao bijvoorbeeld zag ik deze boom, die zijn bijzondere vorm ontleent aan de passaatwind die altijd vanuit dezelfde richting waait.

Dividivi_on_aruba

Toen ik wakker werd, zag ik dat je rechtervoet onder de lakens vandaan was gegleden. Hij tekende een schaduw af op de muur achter je bed. Je waaitenen, dicht tegen elkaar aan gegroeid, samengepakt tot een bundel, bogen alle vijf de­zelfde kant op, naar buiten toe, als de takken van een di­vidiviboom, kromgetrokken door de passaat.” (uit: Kus)

Voor een welwillend oog heeft de dividiviboom de vorm van een naar achteren gebogen vrouw, armen gestrekt, haar torso verwrongen, haar lange, groene haar wapperend in de wind. Op het eiland gaat de legende dat een vrouw wachtte op de terugkeer van haar man, een visser op zee. Hij keerde niet terug, maar de vrouw gaf de hoop niet op. Ze wachtte net zo lang op een heuvel bij zee tot ze veranderde in een boom, herinnering aan en symbool van haar eeuwige liefde.

Misschien hoor je dit nummer van de Mexicaanse band Maná en denk je: bah. Een paar simpele gitaarakkoorden, slappe bas en drum eronder, blèrende softrock stem. Gelikt commercieel niemendalletje. De Spaanstalige versie van BLØF, zoiets.

Maar ho, wacht eens even. BLØF is Zeeuws gebakken lucht overgoten met een glibberig laagje LOI-poëzie waar de honden geen brood van lusten. En El Muelle De San Blas is andere koek. Een vrouw wacht in een haven op haar geliefde, die nimmer terugkeert van zee. Hieronder de tekst van het tweede couplet en het refrein.

Llevaba el mismo vestido y por si él volviera
No se fuera a equivocar los cangrejos le mordían
Su ropaje su tristeza y su ilusión

Y el tiempo escurrió y sus ojos se le llenaron
De amaneceres
Y del mar se enamoró
Y su cuerpo se enraizó
En el muelle

Sola, sola en el olvido
Sola, sola con su espíritu
Sola, con su amor el mar
Sola, en el muelle de San Blás

(Vertaalt:)

Ze droeg dezelfde jurk,
Voor het geval dat wanneer hij terugkwam,
Hij haar niet zou aanzien voor iemand anders
De krabben vraten aan haar jurk,
Aan haar verdriet en aan haar illusie
En de tijd ging voorbij,
En haar ogen waren vol van morgenstonden,
En de zee bekoorde haar,
En haar lichaam schoot wortel in de haven

Alleen, alleen in haar vergetelheid
Alleen, alleen met haar geest
Alleen, alleen met haar geliefde, de zee
Alleen, alleen in de haven van San Blas

Kijk, dat is nog eens een fraaie songtekst. De vrouw blijft wachten tot het bittere einde. Langzaam maar zeker wordt ze gek in haar hoofd. Wordt één met de zon en de zee en de geest van haar geliefde. Dat de muzikale begeleiding zo weinig varieert, een herhaling van zetten is, heeft een reden. De vorm, dat wil zeggen, de muziek, valt samen met de inhoud van de tekst. Na “duizend manen”, als in een metamorfose van Ovidius, transformeert de waanzinnige vrouw in een mythisch monument van hoop, geduld en liefde. Misschien wel in een dividiviboom.

2018-04-18 17.59.44

Nu in de winkel: mijn debuutroman Kus. Dit is een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer fotografie: Susan Sontag en Cartier-Bresson.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

 

KUS (6)

Standaard

DSC00276

Kus’ is een vader-zoon verhaal. 

Als je een vader hebt die je slaat omdat je wegkijkt wanneer hij tegen je spreekt, of gewoon omdat het dins­dag is, dan weet je waar de grenzen liggen.”(uit: ‘Kus’)

De relatie met mijn eigen vader in mijn kindertijd herinner ik me als dubbelzinnig. Soms warm, meestal afstandelijk. Ik zie het beeld voor me van een stevige peuter die bij hem op zijn schouders zit. Ik woel mijn kleine handen door zijn zwarte kroeshaar. Hij ruikt naar kokosolie en Old Spice aftershave. Ik herinner me ook de zalige geur van warme pasteitjes en johnny cakes, Antilliaanse lekkernijen, die mijn vader op gelukkige dagen klaarmaakte in de keuken.

Maar ik was ook bang voor hem. Er sluimerde woede in zijn ogen. Ik wist niet waarom, maar in hem ijsbeerde een gekooide panter die nergens heen kon. Ik zeg ‘panter’. Het gelijknamige gedicht van Rilke doet me aan mijn vader denken, in het bijzonder de regels:

“Wel duizend stangen houden hem gevangen/ en meer dan duizend stangen is er niet.” 

Mijn vader was een afwezige man. Hij deed weinig dingen die vaders doen met hun zonen: voetballen, vissen, boomhutten bouwen. Als gemeenteaccountant werkte hij lange dagen. ’s Avonds studeerde hij in een naar pijptabak en geleerdheid ruikende kamer waar mijn zus en ik niet zonder kloppen naar binnen mochten. Hij was anders dan alle andere vaders die ik kende: de enige Antilliaan in het dorp, de zwarte van het gemeentehuis. Binnenshuis, als hij over de telefoon sprak met de familie op Aruba en Curaçao, hoorde ik hem een vreemde taal spreken die hij nooit met mij sprak. Een zomer, toen ik 5 was, brachten we als gezin een bezoek aan Aruba en Curaçao, zijn geboorte-eiland. Van een oom hoorde ik dat mijn vader in zijn jeugd een gerespecteerd bokser was geweest. Zijn geduchte linkervuist verdedigde de eer van Dakota, de wijk waar hij opgroeide.   

Featured Image -- 132

Zeker, we hadden onze rituelen samen. Mijn vader hechtte aan lichamelijke en geestelijke discipline. Jarenlang, vijf ochtenden in de week, voordat mijn zus en ik naar school gingen, deden we samen met hem yoga-oefeningen in de woonkamer. In het weekend, eveneens in de vroege uurtjes, trokken we baantjes borstcrawl in het sportfondsenbad.  

Ik was een jaar of elf toen ik op een doordeweekse ochtend weigerde mee te doen met de zonnegroet. Ik wist dat ik een risico nam. Mijn vader kon een weerwoord niet waarderen. Hij was de ouder. Als kind had je te gehoorzamen. Ik vermoed dat hij eigenlijk nooit goed heeft geweten wat hij aanmoest met een kind. Zelf was hij de oudste van zestien. Van kleins af aan had hij voor zijn jongere zusjes en broertjes moeten zorgen. Tijd om zelf kind te zijn heeft hij nauwelijks gehad.

De panter ontsnapte. Mijn vader sprong bovenop me. Ik verdedigde mezelf nauwelijks. Gelaten onderging ik zijn gerichte slagen in mijn gezicht. Mijn zus trok mijn vader van me af. Natuurlijk was ik bang. Natuurlijk was ik geschrokken. Maar met wijsheid achteraf denk ik dat ik in opstand kwam tegen mijn vader omdat ik zijn afstandelijkheid zat was. Zijn klappen gaven me wat ik onbewust wilde: de intimiteit van zijn geweld.

Mijn pubertijd begon. Zodra de auto van mijn vader ’s avonds de oprit opreed, sloop ik naar boven naar mijn kamer vol Kiss posters en trok me terug in mijn binnenwereld. Mijn vader had zich laten gaan. Ik vertrouwde hem niet meer. Alles wat met woede en geweld te maken had, was in mijn ogen verdacht. Ik werd een lieve jongen, die iedere vorm van confrontatie uit de weg ging, nooit ruzie had. Anders dan mijn ouders. Ze scheidden toen ik 16 was.

In 1987, 18 jaar oud, werd ik opgeroepen voor het leger, toen nog verplicht. Ik verachtte geweld en verzon een list. Ik maakte de legerarts wijs dat ik in een Urban Dance Squad-achtige band zong; door de vele liveoptredens in het lokale kroegcircuit was mijn gehoor aangetast. Tot tweemaal toe onderging ik een gehoortest, die ik beide saboteerde: als ik geen pieptoon hoorde, stak ik mijn hand op, en andersom. Twee maanden later viel er een brief in de bus van mijn ouderlijk huis. Afgekeurd. Met een zelf-feliciterende grijns op mijn gezicht liep ik die avond naar het dorpscafé. Rondom de biljarttafel, een Grolsch beugel en een jointje bij de hand, high fivede ik mijn schoolvrienden. Fuck the army! 

Vier jaar later brak de Joegoslavië oorlog uit. Tijdens de val van Srebrenica mochten andere jongens van mijn leeftijd het vuile werk opknappen dat ik niet wilde doen.

Wanneer je een vader hebt die het als zijn morele plicht ziet te leven als was hij al dood, uit solidariteit met zijn omgekomen kameraden uit het infanteriebataljon, dan weet je dat liefde niet iets is wat je krijgt maar wat je moet verdienen.” (uit: ‘Kus’)

De grote stad riep. Ik ging studeren in Amsterdam, kreeg relaties, maakte verre reizen. Tussen 2001 en 2003, back to my roots, verbleef ik twee jaar op de Antillen, waarvan een half jaar op Curaçao. Oude lagen van mijn identiteit lieten los, nieuwe kwamen bloot te liggen. Ik ontdekte dat ik veel meer op mijn vader leek dan ik ooit had gedacht: ik had mijn eigen tijgers te berijden. Ik logeerde bij een oudtante van  vaders kant en werkte achter de bar bij Mambo Beach, Ik schreef een nooit uitgegeven roman. In mijn vrije uren las ik veel. In de bibliotheek van Willemstad stuitte ik op de Engelse vertaling van de Hagakure, Way of the Samurai van Yamamoto Tsunetomo. De oorlogspoëzie uit het oude Japan raakte me. Het leerde me mijn nieuw gevonden leven te zien als een offer. Mijn sterfelijkheid radicaal te omarmen. Een ghostdog te zijn.

Opening shot van Ghostdog (1999), een film van Jim Jarmusch: een postduif komt aanvliegen. Soundtrack; de RZA van de Wu-Tang Clan. De camera zoomt in op een verlicht raam. Avond. Binnen brandende kaarsen, boeken, Japanse beeldjes op een klein altaar, een uit elkaar gehaalde geluidsdemper van een handpistool. Na zijn zwaardtraining leest Ghostdog de Hagakure van Tsunetomo. Voiceover van Forest Whitaker:

The way of the samurai is found in death. Meditation on inevitable death should be performed daily…And every day without fail one should consider himself as dead.”

Ghostdog, gespeeld door Forest Whitaker, is zwaarlijvig maar agile as a cat. Hij draagt een zwarte hoodie met Japanse tekens op zijn borst. Om zijn nek hangt een ketting met een kraanvogel-medaillon. Hij is een zachtmoedige man met een grote liefde voor dieren, die hij als zijn gelijken beschouwt. Hij heeft één beste vriend, een ijscoverkoper die Frans spreekt, een taal die hij niet begrijpt. Hij woont in een kleine houten keet bovenop het dak van een flatgebouw naast een volière met postduiven. Hij gebruikt de duiven om te communiceren met een maffiosi die jaren geleden zijn leven redde toen hij back in da hood door buurtjongens half dood werd geslagen met een loden pijp. Sindsdien, met onvoorwaardelijke loyaliteit, beschouwt hij de gangster als zijn meester. Hij biedt hem zijn diensten aan als huurmoordenaar. Ghostdog leeft volgens de oude codes van de samoerai. Een leven voor een leven, een dood voor een dood.

In ‘Kus’, in de garage naast zijn ouderlijk huis, mediteren de puberzoon en zijn militaristische vader over hun vergankelijkheid. De vader, een getraumatiseerde blauwhelm, maakt van de nood een deugd. In de oorlog is hij op radicale wijze geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid en die van anderen. Door zijn obsessie met de dood te delen met zijn zoon vinden ze elkaar in een leegte. 

“‘Zoek de rand van de afgrond,’ vervolgde mijn vader na een korte, meditatieve stilte, ‘en laat je vallen.’ Geveld door zijn doodsvonnis stierven we, telkens opnieuw. Samen vielen we te pletter op de bodem van een ravijn. Werden we tot as verteerd door een bliksem­schicht. Een aardbeving bedolf ons onder ingestorte muren. Golven trokken ons mee de diepte in van de stor­mende zee.”( uit: ‘Kus’)

Er zijn diersoorten die in levensbedreigende situaties hun eigen jongen doodbijten. Liever zij dan hun vijand. Soms zijn dood en geweld innige omhelzingen.

2018-04-18 17.59.44

20 september verschijnt mijn debuutroman Kus. Voor het zover is, een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer muziek: Maná en Debussy.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

KUS (5)

Standaard

2015-06-27 21.14.14

Ik weet weinig van poëzie. Mijn pogingen ertoe, te vinden in eerdere blogs, spreken boekdelen. Schattig, hooguit. De oorlog gaan we er niet mee winnen.

Nee, dan Derek Walcott en Octavio Paz, Ted Hughes, Mahmoud Darwish en Wislawa Szymborska, Lucebert en Radna Fabias: dat zijn pas poëziebeesten. Of anders wel mijn dierbare vriendin Asha Karami. Zij is in staat, binnen de gecomprimeerde vorm van haar gedichten, de Nederlandse taal een soevereine schop onder haar kont te geven. In haar handen worden woorden geheime deuren. Sluiproutes naar onvermoede achterkamers waar het schuurt en brandt, het interieur van haar ongemakkelijke taalkamers bijgelicht door een tedere, eenzame vlam. Zoals in het gedicht over haar moeder, met als titel de slogan van Holland Casino.

het zit in je

om mijn moeder te zien

ga ik naar holland casino

ladies night gratis drankje

vind ik haar bij roulette

extreem gedehydreerd

vertelt dat in de toekomst

gezelschap van de mens

onnodig is door robots

belooft me er één en

dat een meisje door

teveel deo is overleden

als haar 100 op zwart

verliest zegt ze dat ik

ongeluk breng zachte g

ik vraag welke drie woorden

wil je dat mensen noemen

als ze aan je denken

gul gul gul gul gul gul

en vogel

In ‘Kus’, getroffen door tragedie, begint de hoofdpersoon Feysel Mansur op 16-jarige leeftijd een dagboek bij te houden.

‘Schrijven was een manier om de onderlinge samenhang van mijn dagen vorm te geven. Een zekere grip op mezelf te behouden.’

Soms, als hij de geest heeft, schrijft hij in de kantlijn van een dagboekpagina de aanzet tot een gedicht. Deze probeersels zijn aanvankelijk niet meer dan sentimentele pogingen de thema’s die zijn leven op dat moment beheersen, angst en eenzaamheid, in woorden om te zetten. Uit het groeiende aantal versregel spreekt vooral de vreugde een soort tijdelijke wereld gevonden te hebben.

‘Een stille, talige plek ver weg van de gewone wereld waar ik mijn verwarde gevoelens en gedachten trachtte te vangen met de lasso van rijm en metafoor.’

Op een dag gebeurt er iets wonderlijks.

‘Het begon met een vage aankondiging van ritme, klank en melodie. Even later doemden clusters van woorden op in verrassende combinaties, die geleidelijk aan een frase of een zin vormden. Toen, tegen de achtergrond van de aanvankelijke melodie, begon het gedicht zichzelf te schrijven. Werd het een ding dat als het ware buiten mijzelf stond, gevormd door een vreemde wil, alsof de woorden als paarden in een schaakspel voor mijn eigen gedachten uitsprongen.’

Jaren verstrijken. Mansur maakt carrière als schrijver en dichter, ontmoet zijn vrouw, wordt vader. Zijn vaderschap is een gamechanger. Zijn bedachte, schriftelijke poëzie verbleekt bij de spontane kinderpoëzie van zijn zoontje Nanne. Nanne, drie jaar oud, tekent een primitief gezichtje op een gevonden kiezelsteen en gaat ermee in gesprek, als met een imaginaire vriend. Het kind, vrijer in zijn verbeelding dan de volwassene, in het bezit van het zintuig van de deelname, stelt geen vragen en vertrouwt op het gezicht dat opendoet.

‘Ik glimlachte om je animisme. Om de lach die je aan de steen had meegegeven. Een lach waarvan de steen zelf niet wist hoe hij hem moest lachen.’

Mansur stopt met schrijven. Als een gedicht een mier is die zijn vuist balt tegen de zon, dan is de Nanne de zon die ieder taalbrouwsel in de schaduw stelt.

In het gedicht ‘Gesprek met een steen’ van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska klopt een ‘ik’ (de dichteres?) herhaaldelijk op de deur van een steen en vraagt of hij mag binnenkomen. De ik wil rondkijken, “met jou mijn longen vullen”. De ik komt “met louter nieuwsgierigheid/ die alleen het leven kan bevredigen”. De ik heeft gehoord dat de steen binnen grote lege zalen heeft, “onbezichtigd en vruchteloos mooi/ verlaten en zonder echo van enig voetstap.”

De steen weigert, tot vier maal toe. “Ik ben hermetisch gesloten” is zijn antwoord, “Zelfs fijngewreven tot zand/zullen we niemand binnenlaten.”. “Je mist het zintuig van de deelname”. “Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.” De laatste weigering van de steen, aan het slot van het gedicht, wordt door Nanne, zonder er woorden aan te hoeven of kunnen geven, intuïtief begrepen.

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.’

‘Ik heb geen deur,’ zegt de steen.”

Het is een cliché te zeggen dat aan een goed gedicht een kinderlijke verwondering over onszelf en de wereld om ons heen ten grondslag ligt. Clichés zijn er niet voor niets. Toen Szymborska de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst nam, zei ze in haar dankwoord dat de vier woordjes ‘ik weet het niet’ haar dierbaar waren. “Ze zijn klein, maar met sterke vleugels.” Ze zijn de bron van inspiratie, niet alleen voor dichters en andere kunstenaars, maar voor “allen die bewust voor hun werk kiezen en het met liefde en fantasie verrichten.” Schrijven is zoeken. Het gevecht aangaan met je eigen onwetendheid.

2018-04-18 17.59.44

20 september verschijnt mijn debuutroman Kus. Voor het zover is, een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer: de film Ghostdog van Jim Jarmusch.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

KUS (4)

Standaard

2018-07-17 10.36.04

A life’s work, on becoming a mother’ (2001) van de Brits-Canadese schrijfster Rachel Cusk is een prachtig geschreven, ontroerend relaas over de eerste echo en gebroken nachten. Met nietsontziende eerlijkheid beschrijft ze de ontreddering, vervreemding en euforie van haar moederschap. Haar autobiografische verhaal plaatst ze in een bredere context door haar persoonlijke ervaringen te larderen met treffende literaire passages over de ouder-kind relatie (D.H. Lawrence’s The Rainbow, Jane Eyre, Madame Bovary).

De reden voor deze vermenging van feit en fictie licht Cusk toe in het voorwoord. Voor haar bestaat er een duidelijk verband tussen haar ouderschap en haar schrijverschap, tussen leven en literatuur. “I didn’t write this book because I hated being a mother or hated my child or hated any child. I wrote it because I am a writer, and the experience of ambivalence that characterises the early stages of parenthood seemed to me to be kith and kin to the writer’s fundamental ambivalence towards life ” Deze ambivalentie ligt volgens Cusk “in the memory of childhood, a state the artist perhaps never entirely leaves. In becoming a mother I became, briefly, both child and parent, both individual and other, and it was this rare and fleeting exposure of the psyche that I sought to capture in A Life’s Work.”.    

Dat Cusk, binnen de context van de grote liefde voor haar kind, oog had voor de schaduwzijde van het moederschap, werd haar niet in dank afgenomen: in de Engelse media werd Cusk ‘Britain’s worst mum’ genoemd. Met gevoel voor humor fileert ze de terreur van de baby-industrie die maar één boodschap uitzendt: samen met je wolk van een baby leeft je als moeder 24 uur per dag op een regenboog van geluk. Ze beschrijft haar gevoelens van schuld en onvermogen, opgeroepen door het nieuwe, onbekende wezen in haar leven dat voor zijn overleven volledig afhankelijk van haar is. Ze spreekt openlijk over haar verloren vrijheid, over de soms verstikkende ervaring nooit meer alleen te zijn. 

In een aangrijpende passage wil het dochtertje van Cusk, zes weken oud, na een reeks van doorwaakte nachten maar niet in slaap vallen. Overmand door vermoeidheid stopt ze haar huilende, ontroostbare kind in bed, gaat naar de badkamer en sluit de deur. Het is lang stil, een stilte “both blessed and threatening”. Zou de baby dan eindelijk in slaap zijn gevallen?

“Then, next door, she cries. I begin to shout, I don’t quite know what I am shouting, something about it being unfair, about it clearly being completely unreasonable that I should want FIVE MINUTES on my own. GO TO SLEEP! I shout, now standing directly over the cradle.”

Geschrokken en gedwee valt het kind uiteindelijk in slaap. Cusk schaamt zich diep voor haar uitval. De stille slaap van haar dochter, waar ze zo naar verlangde, is ineens onverdraaglijk geworden. Haar man is niet thuis. Ze belt een paar vrienden. Huilend bekend ze aan de telefoon dat ze tegen haar dochtertje heeft geschreeuwd. Maar niemand van haar vrienden geeft haar absolutie. Iedereen heeft in de eerste plaats te doen met het kind, niet met de moeder.

“I understand that I am alone in my outburst…As a mother I do not exist within the forgiving context of another person. I realise that this is what being in charge is.”

Het besef van deze verantwoordelijkheid voor haar volstrekt hulpeloze kind is overweldigend. Haar dochtertje bestaat en overleeft bij gratie van haar zorg en aandacht. Is overgeleverd aan een wereld waarin zij de scepter zwaait, de absolute macht heeft. 

“Love is more…practical, more hardworking than I had ever suspected, but it lies close to the power to destroy. I have never before remotely felt myself to possess that power, and I am as haunted by it as if it were a gun in a nearby drawer. My….ceaseless nurture that continues regardless of hour or mood or ability, are conducted in the very shadow of their neglect.”

2018-07-14 11.03.35

‘Kus’ belicht het ouderschap vanuit het perspectief van de vader. Aan het ziekbed op de kinder-ic blikt  Feysel Mansur terug op de geboorte en jonge jaren van zijn zoontje Nanne. De meeste stukken over de kindertijd van Nanne schreef ik met Kinderszenen op de achtergrond, een serie pianominiaturen van Robert Schumann. Schumann schreef de compositie nadat zijn vrouw Clara Schumann, een beroemde pianiste met wie hij acht kinderen had, tijdens een huiselijk akkefietje tegen hem zei: “Soms ben je net een kind.” De 13 korte stukken uit Kinderszenen zijn niet zo zeer verklankingen van een kinderwereld, als wel de mijmeringen van een volwassene die dwaalt door de kamers van zijn verloren kindertijd. Hij herinnert zich het hobbelpaard. Riddertje spelen. Dromen over de verre landen op de aardbol naast je ledikant. Luisterend naar deze muziek zocht ik in mijzelf naar het kind dat de vader is van de man.  

In ‘Kus’ herinnert Feysel zich de eerste keer dat hij zijn kind vasthield in de verloskamer op de derde verdieping van hetzelfde ziekenhuis.

‘Bijna ondraaglijk licht was je. Niets had me erop voorbereid. Hoeveel leegte erin jouw kleine leven was samengeperst.’

Hij herinnert zich ook hoe zijn huis zich vulde met de filigrein deken van kinderlijke slaap. De plaksterren hemel in de kinderkamer. Zijn kwetsbare, pasgeboren zoontje veilig en wel in bed aan het einde van een dag vol grote-mensen-wereld-gevaren. 

Onder de klamboe, in de witte plas van de lakens, kon je niets meer gebeuren. Niet langer was je overgeleverd aan de wakkere wereld van scherpe randen en harde oppervlakten. In een kring bewoog het nachtelijk uur om je heen. De minuten een cirkel van water. Jij de steen die wegzakte naar de bodem. ‘

Op een nacht wordt Feysel wakker. Voor het eerst sinds de geboorte is zijn vrouw Luna een avond weg. Vader en zoon, zes maanden oud inmiddels, hebben het huis voor hen alleen. Het is stil in de aangrenzende kinderkamer, te stil. Uit voorzorg neemt de vader een kijkje. Woelend in zijn slaap blijkt Nanne de klamboe naar beneden te hebben getrokken en bijna te zijn gestikt. Vader en kind komen met de schrik vrij. Feysel legt Nanne terug in bed. Het ontzaglijke gewicht dat in zijn handen ligt “filled him with terror, almost with frenzy…”

‘Nadat ik je had ingestopt bleef ik bij je zitten. Je slapende gezicht viel naar één kant. Je armen lagen naast je hoofd, handpalmen de lucht in. Alleen je vingers bewogen in een laatste, wakkere reflex. Af en toe smakte je met je lippen. Een lief geluid bedoeld om vertedering op te wekken en zo je kansen op overleven te vergroten. 

(uit: ‘Kus’)

2018-04-18 17.59.44

20 september verschijnt mijn debuutroman Kus. Voor het zover is, een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer: Wislawa Szymborska.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

KUS (3)

Standaard

2018-06-11 18.41.15

In ons land zit de dood in een verdomhoekje. Zowel in publieke ruimten – met uitzondering van Halloween – als binnenshuis is Magere Hein ver te zoeken. Er wordt bij ons niet geproost op de doden tijdens de jaarlijkse familiepicknick op de begraafplaats. In onze woonkamers geen gedenkhoekjes met kaarsen en foto’s waar gezinsleden de ups en downs van hun levens bespreken met hun overledenen.

Dat dit zo is, heeft me altijd verbaasd. Ieder mens is een stralend oog bovenop een piramide van lijk geworden generaties. De dood is de grond waarop wij lopen; onze levens effenen de weg waarover onze voorouders verder trekken door de eeuwigheid. Aan het einde van ons leven voeren we allemaal dezelfde ultieme verdwijntruc uit: we worden geboren om te sterven in het niets. Is niet de duisternis die ons wacht het licht dat ons bijschijnt op ons levenspad?

Tussen 2001 en 2003 verbleef ik twee jaar op Aruba en Curaçao, de geboortegrond van mijn vader. Een Arubaanse archeoloog vertelde me dat de oorspronkelijke indiaanse bewoners van de eilanden, de Arawak, geloofden dat de geesten van hun overledenen  voortleefden in vlinders. De ogen op hun vleugels waren de vensters waardoor de dode zielen uitkeken op de wereld van de levenden.

In ‘Kus’ is de vader van de verteller een blauwhelm die getraumatiseerd terugkeert van zijn missie in Libanon. Wat de oorlog hem heeft geleerd, draagt hij over aan zijn zoon Feysel. Hij leert hem om, net als hij, te leven volgens de code van de samoerai. Leef als was je al dood. Zie de wereld door de ogen van een vlinder.

Wanneer Feysel, 17 jaar oud, als enige een tragisch ongeval overleeft, laat de dood een  vruchtbare leegte achter. Het gat van verlies blijkt een ruimte te zijn waarin hij zichzelf als schrijver ontdekt. In deze ruimte is de vlinder het totemdier. In het fictieve oeuvre van de imaginaire schrijver Feysel Mansur is de vlindernovelle zijn laatste, onvoltooide werk, zijn Unvollendete. In deze novelle keert een vader voor één dag terug uit het dodenrijk in de gedaante van een nachtvlinder. In de schrijfkamer van zijn zoon, die kampt met een writer’s block, omhelst de vader-vlinder zijn kind met zijn vleugel-armen en zegt:

‘Zoek niet langer het vacuüm dat ik heb achtergelaten, maar de leegte die verteld moet worden, een gat groter dan ooit door welk ongeluk ook geslagen kan worden.’

(uit: ‘Kus’)

2018-06-13 13.38.32

Ik heb aan ‘Kus’ een motto meegegeven uit Thomas de duistere (1941), een roman van de Franse schrijver en filosoof Maurice Blanchot (1907-2003):

”Het idee van vergaan zette de pop ertoe aan vlinder te worden”.

Ik ken geen andere schrijver die de dood zo radicaal middenin zijn oeuvre heeft geplaatst – in juni 1944 ontsnapte Blanchot als bij een wonder aan een Nazi vuurpeloton, een bepalende gebeurtenis die hij beschrijft in ‘Het moment van mijn dood’ (1994). ‘To be or not to be, that is the question’, zei Hamlet. Het antwoord van Blanchot: wij dienen ons zijn te beschouwen vanuit het perspectief van het niet-zijn. De dood als vertrekpunt dus, niet als eindstation. Het oneindige sterven van de concentratiekampen had volgens hem  sporen getrokken tot in de diepste vezels van onze taal. Hoe was literatuur na Auschwitz  mogelijk, vroeg hij zich af.

De Fransman koos ervoor zijn literatuur op te bouwen from the ground up. Blanchot lezen is als dwalen door een labyrint waarin je telkens op deuren en openingen stuit waarvan je het bestaan niet eens vermoedde. In zijn schrijven hanteert hij de logica van de paradox, te beginnen bij de paradox van ons sterven. De onmogelijkheid van de dood, onkenbaar als individuele of collectieve ervaring, is de onbeantwoordbare vraag, en tegelijkertijd de enige zekerheid, in het hart van ons leven.

“De dood was een modulatie in wat niet bestond, vlakbij, onzichtbaar en zeker. Het was iets waarvan ik kon zeggen: het bestaat niet, en toch vulde het me met angst en voelde ik het dwalen door de kamers van mijn eenzaamheid.”

Een persoonlijke tip: lees Blanchot terwijl je luistert naar muziek van de Hongaarse componist György Ligeti (1923-2006). In mijn beleving zijn de twee geestverwanten.  Ligeti’s kunst wordt geschraagd door een verbijsterende beheersing van micropolyfonie. Verdichte, microtonale klankstructuren worden op elkaar gestapeld. Een auditief bouwwerk van heen en weer schuivende klankvlakken ontstaat. Microtonaliteiten botsen met hoge snelheid op elkaar, als in een deeltjesversneller. Geluidsgolven spatten uiteen en onduleren tussen octaafzuilen.

Blanchot geeft zijn personages nauwelijks gezicht of achtergrond. Het plot doet er niet toe. Tijd, plaats en handeling zijn grotendeels ongewis. Hij schrijft zinnen als Nautilus schelpen, geeft bloot door te versluieren en vice versa. Micro-gebeurtenissen – een duik in de zee, een boswandeling – worden dusdanig opgerekt dat de taal zelf het onderwerp wordt. Een taal die tegen zichzelf ingaat omdat woorden sinds Auschwitz schaamteloos ontoereikend zijn om de realiteit recht aan te doen. Wat rest is een Beckettiaans stamelen. Pogingen om telkens opnieuw beter te falen. Macabere huiveringen. Of, zoals Ligeti zijn eigen composities omschreef, “totaal verhakte, geëxalteerde, overdreven bewegingen”.

Luister bijvoorbeeld naar het Kyrie uit Requiem, door Stanley Kubrick gebruikt in de soundtrack van 2001 A Space Odyssey.

In de recent verschenen vertaling van een zijn vroegste verhalen, ‘De idylle‘ (1936), verwoordt Blanchot vlijmscherp een andere, uiterst actuele paradox: die van de vreemdeling.

“In dit huis zult u leren dat het niet gemakkelijk is om een vreemdeling te zijn. U zult ook leren dat het niet meevalt om geen vreemdeling te zijn. Als u uw land mist, ziet u hier elke dag meer redenen om het te missen. Maar als het lukt om uw land te vergeten en van dit nieuwe verblijf te houden, dan stuurt men u terug naar waar u vandaan komt, alwaar u, opnieuw ontheemd, eveneens een banneling zult zijn.” (vertaling: Aukje van Rooden)

Als ik deze woorden lees, moet ik denken aan de vluchteling die ik ooit Nederlandse les gaf, hoogleraar chemie in zijn geboorteland, een man die in de klas zelden zijn mond opendeed en als hij sprak altijd naar de grond keek omdat hij zijn geld zwart verdiende als schoonmaker, iets waar hij uit schaamte over zweeg wanneer hij zijn achtergebleven familieleden aan de lijn kreeg in een goedkope telefoonwinkel. En ik herken mijn eigen vader, die op zijn 20ste vanuit de Antillen naar Nederland kwam. Nog steeds voert hij iedere dag de gevoelige spagaat uit tussen hier zijn en daar, tussen immigrant en emigrant, tussen moedertaal en tweede taal, in het spookhuis van dubbele identiteiten.

2018-04-18 17.59.44

20 september verschijnt mijn debuutroman Kus. Voor het zover is, een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer: Rachel Cusk.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com