KUS (3)

Standaard

2018-06-11 18.41.15

In ons land zit de dood in een verdomhoekje. Zowel in publieke ruimten – met uitzondering van Halloween – als binnenshuis is Magere Hein ver te zoeken. Er wordt bij ons niet geproost op de doden tijdens de jaarlijkse familiepicknick op de begraafplaats. In onze woonkamers geen gedenkhoekjes met kaarsen en foto’s waar gezinsleden de ups en downs van hun levens bespreken met hun overledenen.

Dat dit zo is, heeft me altijd verbaasd. Ieder mens is een stralend oog bovenop een piramide van lijk geworden generaties. De dood is de grond waarop wij lopen; onze levens effenen de weg waarover onze voorouders verder trekken door de eeuwigheid. Aan het einde van ons leven voeren we allemaal dezelfde ultieme verdwijntruc uit: we worden geboren om te sterven in het niets. Is niet de duisternis die ons wacht het licht dat ons bijschijnt op ons levenspad?

Tussen 2001 en 2003 verbleef ik twee jaar op Aruba en Curaçao, de geboortegrond van mijn vader. Een Arubaanse archeoloog vertelde me dat de oorspronkelijke indiaanse bewoners van de eilanden, de Arawak, geloofden dat de geesten van hun overledenen  voortleefden in vlinders. De ogen op hun vleugels waren de vensters waardoor de dode zielen uitkeken op de wereld van de levenden.

In ‘Kus’ is de vader van de verteller een blauwhelm die getraumatiseerd terugkeert van zijn missie in Libanon. Wat de oorlog hem heeft geleerd, draagt hij over aan zijn zoon Feysel. Hij leert hem om, net als hij, te leven volgens de code van de samoerai. Leef als was je al dood. Zie de wereld door de ogen van een vlinder.

Wanneer Feysel, 17 jaar oud, als enige een tragisch ongeval overleeft, laat de dood een  vruchtbare leegte achter. Het gat van verlies blijkt een ruimte te zijn waarin hij zichzelf als schrijver ontdekt. In deze ruimte is de vlinder het totemdier. In het fictieve oeuvre van de imaginaire schrijver Feysel Mansur is de vlindernovelle zijn laatste, onvoltooide werk, zijn Unvollendete. In deze novelle keert een vader voor één dag terug uit het dodenrijk in de gedaante van een nachtvlinder. In de schrijfkamer van zijn zoon, die kampt met een writer’s block, omhelst de vader-vlinder zijn kind met zijn vleugel-armen en zegt:

‘Zoek niet langer het vacuüm dat ik heb achtergelaten, maar de leegte die verteld moet worden, een gat groter dan ooit door welk ongeluk ook geslagen kan worden.’

(uit: ‘Kus’)

2018-06-13 13.38.32

Ik heb aan ‘Kus’ een motto meegegeven uit Thomas de duistere (1941), een roman van de Franse schrijver en filosoof Maurice Blanchot (1907-2003):

”Het idee van vergaan zette de pop ertoe aan vlinder te worden”.

Ik ken geen andere schrijver die de dood zo radicaal middenin zijn oeuvre heeft geplaatst – in juni 1944 ontsnapte Blanchot als bij een wonder aan een Nazi vuurpeloton, een bepalende gebeurtenis die hij beschrijft in ‘Het moment van mijn dood’ (1994). ‘To be or not to be, that is the question’, zei Hamlet. Het antwoord van Blanchot: wij dienen ons zijn te beschouwen vanuit het perspectief van het niet-zijn. De dood als vertrekpunt dus, niet als eindstation. Het oneindige sterven van de concentratiekampen had volgens hem  sporen getrokken tot in de diepste vezels van onze taal. Hoe was literatuur na Auschwitz  mogelijk, vroeg hij zich af.

De Fransman koos ervoor zijn literatuur op te bouwen from the ground up. Blanchot lezen is als dwalen door een labyrint waarin je telkens op deuren en openingen stuit waarvan je het bestaan niet eens vermoedde. In zijn schrijven hanteert hij de logica van de paradox, te beginnen bij de paradox van ons sterven. De onmogelijkheid van de dood, onkenbaar als individuele of collectieve ervaring, is de onbeantwoordbare vraag, en tegelijkertijd de enige zekerheid, in het hart van ons leven.

“De dood was een modulatie in wat niet bestond, vlakbij, onzichtbaar en zeker. Het was iets waarvan ik kon zeggen: het bestaat niet, en toch vulde het me met angst en voelde ik het dwalen door de kamers van mijn eenzaamheid.”

Een persoonlijke tip: lees Blanchot terwijl je luistert naar muziek van de Hongaarse componist György Ligeti (1923-2006). In mijn beleving zijn de twee geestverwanten.  Ligeti’s kunst wordt geschraagd door een verbijsterende beheersing van micropolyfonie. Verdichte, microtonale klankstructuren worden op elkaar gestapeld. Een auditief bouwwerk van heen en weer schuivende klankvlakken ontstaat. Microtonaliteiten botsen met hoge snelheid op elkaar, als in een deeltjesversneller. Geluidsgolven spatten uiteen en onduleren tussen octaafzuilen.

Blanchot geeft zijn personages nauwelijks gezicht of achtergrond. Het plot doet er niet toe. Tijd, plaats en handeling zijn grotendeels ongewis. Hij schrijft zinnen als Nautilus schelpen, geeft bloot door te versluieren en vice versa. Micro-gebeurtenissen – een duik in de zee, een boswandeling – worden dusdanig opgerekt dat de taal zelf het onderwerp wordt. Een taal die tegen zichzelf ingaat omdat woorden sinds Auschwitz schaamteloos ontoereikend zijn om de realiteit recht aan te doen. Wat rest is een Beckettiaans stamelen. Pogingen om telkens opnieuw beter te falen. Macabere huiveringen. Of, zoals Ligeti zijn eigen composities omschreef, “totaal verhakte, geëxalteerde, overdreven bewegingen”.

Luister bijvoorbeeld naar het Kyrie uit Requiem, door Stanley Kubrick gebruikt in de soundtrack van 2001 A Space Odyssey.

In de recent verschenen vertaling van een zijn vroegste verhalen, ‘De idylle‘ (1936), verwoordt Blanchot vlijmscherp een andere, uiterst actuele paradox: die van de vreemdeling.

“In dit huis zult u leren dat het niet gemakkelijk is om een vreemdeling te zijn. U zult ook leren dat het niet meevalt om geen vreemdeling te zijn. Als u uw land mist, ziet u hier elke dag meer redenen om het te missen. Maar als het lukt om uw land te vergeten en van dit nieuwe verblijf te houden, dan stuurt men u terug naar waar u vandaan komt, alwaar u, opnieuw ontheemd, eveneens een banneling zult zijn.” (vertaling: Aukje van Rooden)

Als ik deze woorden lees, moet ik denken aan de vluchteling die ik ooit Nederlandse les gaf, hoogleraar chemie in zijn geboorteland, een man die in de klas zelden zijn mond opendeed en als hij sprak altijd naar de grond keek omdat hij zijn geld zwart verdiende als schoonmaker, iets waar hij uit schaamte over zweeg wanneer hij zijn achtergebleven familieleden aan de lijn kreeg in een goedkope telefoonwinkel. En ik herken mijn eigen vader, die op zijn 20ste vanuit de Antillen naar Nederland kwam. Nog steeds voert hij iedere dag de gevoelige spagaat uit tussen hier zijn en daar, tussen immigrant en emigrant, tussen moedertaal en tweede taal, in het spookhuis van dubbele identiteiten.

2018-04-18 17.59.44

20 september verschijnt mijn debuutroman Kus. Voor het zover is, een serie blogposts over inspiratiebronnen. De muziek en poëzie, films en boeken that fuelled my imagination. Dit is de Umwelt van Kus.

Volgende keer: Rachel Cusk.

http://www.vanoorschot.nl

http://www.julienignacio.com

2 gedachtes over “KUS (3)

  1. Astrid Pagels

    Opnieuw lees ik met verwondering wat je allemaal te vertellen hebt en denk dan wat mooi dat je geworden bent die je bent.
    liefs
    Mams

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s