Surti

Standaard

Ze was zo’n lieve vrouw. Behulpzaam. Je kon ontzettend met haar lachen. Genieten van het leven. Dat probeerde ze. Zoveel mogelijk.

Het liefst ging ze met haar vriendinnen op vliegvakantie. Samen stukjes van de wereld zien, zei ze altijd, daar word ik gelukkig van. Overal was ze geweest. Tenerife. Korfu. Isla Margarita. Maar niet met mij, haar hartsvriendin. Ik durfde nooit met haar mee te gaan. Sinds 9/11 heb ik verschrikkelijke vliegangst. ‘ Maak je geen zorgen mati’ zei Surti altijd tegen me als ze op het vliegtuig stapte en ik haar smeekte om niet te gaan , ‘er gebeurt niks.’

Van de radar geraakt op tien kilometer hoogte.

Rusteloos zwierf ik door de kamers van mijn huis. Plotseling leken de onzichtbare draden, die alles bijeen hielden, te zijn doorgesneden. In de bijkeuken, zonder dat ik er erg in had, vouwde ik de was binnenste buiten op. Niets had gewicht meer. Alles zweefde. Los gezongen van de Hongaarse servieskast in de eetkamerhoek. Van mijn man en kinderen. Zo voelde ik me. De telefoonstem van mijn moeder die zei ‘ Ga nou niet de hele dag thuis lopen malen hè’ drong niet of nauwelijks tot me door.

Ik geloofde het gewoon niet. Dat een Boeing 777 het dag in dag uit, week in week uit, van satellieten kon winnen met verstoppertje spelen.

Deze keer was het anders geweest. Surti ging alleen op reis. Haar ex-man Farid had haar geholpen met inpakken. ‘Zorg goed voor mijn huis’, had ze hem gevraagd. Naar Indonesië ging ze, om haar familie op te zoeken. En om de liefde van haar leven te treffen. Ze had hem leren kennen via internet. Een politieagent of een marinier. Mannen in uniform, daar hield ze van. Hij was misschien wel de ware, vertelde ze me met een glunderend gezicht de zondag voor haar vertrek. In Kuala Lumpur zou ze hem ontmoeten.

Een week later hing ze in tranen aan de telefoon. Die man was nooit komen opdagen. Alleen een zogenaamde broer. Die gaf haar een adres. Toen ze aan een taxichauffeur vroeg of hij haar naar het opgegeven adres wilde brengen, weigerde hij. Te gevaarlijke buurt.

Farid is een paar dagen de stad uit. Ik pas nu op Surti’s huis in Osdorp, twee straten van mij vandaan. De wajang poppen in de vensterbank. De lijst met opgezette vlinders in de hal. Net als ik wachten ze op de terugkeer van Surti. We kunnen het gewoon niet accepteren, de dingen en ik. Het is vast allemaal een slechte grap. Een lelijke vergissing.

Alles is nog mogelijk. De Italiaan en de Oostenrijker die op de passagierslijst stonden, bleken achteraf ook niet in het vliegtuig te zitten. En als ze toch in dat vliegtuig zat, heeft het vast ergens een noodlanding gemaakt. Is ze nu samen met de andere passagiers aan het survivallen ergens op een onbewoond eiland in de Indische Oceaan. Want die piloot vloog al meer dan dertig jaar voor Malaysia Airlines. 18.365 Vlieguren heeft hij op zijn naam staan, las ik in de krant. Zo dol was die man op vliegen dat hij thuis een simulator had nagebouwd van een Boeing 777. Zo’n ervaren iemand zet zo’n kist gewoon aan de grond. Weer of geen weer. Met of zonder storing aan de motor.

We hingen op. Ik had zo met Surti te doen. Eenzaam. Geen familie in Nederland. Geen geluk in de liefde. Dat was een kant van haar die niet veel mensen kenden. Vrolijk. Altijd een lach voor je klaar. Dat was wat ze aan de buitenwereld liet zien. Maar Surti staat dichter bij me dan mijn eigen zus. Ik ken haar geheimen, haar donkere momenten. Soms voelde ze zich zo alleen, zo lelijk en afgewezen, dat ze fantaseerde over haar eigen einde. Op een doordeweekse dag zou ze thuiskomen van haar werk in de beauty salon. Ze zou haar potje koken en op de bank naar een woordquiz kijken, bord op schoot. Misschien zou ze naderhand een kaartje leggen op de computer of de Da Vinci Code uitlezen in de comfortabele stoel bij het raam met haar favoriete pianoconcert van Mozart op de achtergrond. Misschien zou ze een laatste telefoontje plegen met mij of met een andere vriendin. En dan, tegen een uur of tien, zou ze zomaar, zonder er echt over na te denken, het besluit nemen alle antidepressiva die ze in huis heeft weg te spoelen met een glas water uit de keukenkraan. Ze zou de pillen innemen, rustig, uit het vuistje, en op bed gaan liggen. En als de volgende ochtend de wekker om zes uur zou afgaan, zou er niemand meer zijn om het ding uit te zetten.

De satellietbeelden. Geen hoop meer.

Buiten op het achterbalkon van Surti’s huis rook ik een kruidnagelsigaretje. Nummer 130 op de passagierslijst was ze. Ik vraag me af wie er in de stoel naast haar zat in het vliegtuig. Tegen wie ze haar laatste woorden sprak. Of iemand haar hand vasthield. Was het een van de schilders uit Peking en Sichuan die net een expositie hadden gehad in Kuala Lumpur? Die jonge Indonesiër die net een driejarig contract had getekend bij een Chinese oliemaatschappij? Of die vrouw uit Parijs, die samen met haar dochter, haar zoon en zijn vriendinnetje terugvloog van een korte vakantie in Maleisië, op weg naar de Chinese hoofdstad waar de vader van de kinderen, een Franse zakenman die in een ander vliegtuig op weg was naar Peking, hen zou opwachten in de transit hal?

Hard blaas ik de rook voor me uit. Trut, denk ik. Waarom moest je zo nodig via Peking terugvliegen? Omdat het goedkoper was dan een rechtstreekse vlucht van Kuala Lumpur? Waarom kon je godverdomme niet voor één keer in je leven je vlucht missen?

In de hoek van de benedentuin staan plastic zomerstoelen opgestapeld. Een voorjaarswind doet de takken van de populier licht voorover buigen. Afgerukte boombladeren worden van het zitvlak van de bovenste stoel getild en heen en weer geblazen tussen de armleuningen. Sommigen blijven hangen aan het witte plastic.

Ik zie de dralende beweging van de wind en denk heel even dat zij het is. Het verleden moet toch ergens zijn. Het kan niet zomaar in het niets verdwijnen. Surti, maar ook andere mensen die ik ooit heb gekend: in het hart van bepaalde wijken, in kamers en straten, in parken en tuinen waar we samen gedeelde herinneringen hebben achtergelaten; daar zou ik ze altijd kunnen blijven terugvinden. Zo heb ik me dat altijd voorgesteld: dat er plekken zijn waar de doden en de levenden, die je uit het oog verloren bent, een parallel leven leiden, ergens buiten de tijd.

Ik kijk nog een keer de tuin in. Ze is er niet.

PS.

Surti Dahlia, een 50-jarige vrouw uit Osdorp, was de enige Nederlandse passagier aan boord van vlucht MH 370.

Geert Wilders, een liefdessprookje

Standaard

Er was eens, lang geleden in Soekaboemi, een beeldschone straatjongen. Zijn naam was Tarek. Zijn Marokkaanse ouders, handelsreizigers uit Marakkesh die waren neergestreken langs de Javaanse goudkust, had hij op jonge leeftijd verloren bij een huisbrand. Op de markt verdiende de slanke weesjongen zijn geld met vuur spuwen en slangen bezweren. Op de hypnotiserende melodie van zijn toverfluit kronkelden brilslangen als buikdanseressen omhoog uit een rieten mand. ’s Nachts sliep Tarek voor de gesloten deur van de plaatselijke moskee. Zijn enige bedgenoot was een dwergaapje dat hij overdag op zijn gespierde schouder meedroeg door de smalle straten van het Indische dorp.

Geert was een stille, teruggetrokken jongen. Net 20 geworden. Net klaar met het Thomascollege. Hij had een lief, bollig gezichtje. Verrassend lichte, smalle ogen. Een stiekeme voorliefde voor Orchestral Manoevres in the Dark en Wham. Die lange, mooie zomer was hij met zijn ouders op familiebezoek in Indonesië, het land van 14000 eilanden waar zijn moeder, dochter van de Indisch-Nederlandse familie Meijer, geboren was.

Op een middag zag hij de arme straatjongen vuur spuwen op de hoek van het marktplein. De aanblik van deze prachtige draak met zijn glimmende torso hit him like a wrecking ball. Op slag werd hij dodelijk verliefd. De jongen toonde zich gewillig. Het was een zoet minnekozen tussen de theestruiken die weelderig groeiden op de vruchtbare familiegrond aan de voet van de Wajang vulkaan. In de Arabische volbloed armen van de straatjongen maakte het Geert niet uit dat hij geen intellectuele hoogvlieger was. Onder de palmbomen die uitkeken over de Lassi toverrijstvelden kon hij er zelfs wel de humor van inzien. Dat hij in de eerste klas meteen was blijven zitten. Werd teruggestuurd naar de mavo. Weer terug ging naar de havo. In de vierde opnieuw was blijven zitten met een 4 voor Nederlands.

Na een week, in het bijzijn van meneer Nilsson en een homofiele Balinese tempelpriester, trouwden ze in het romantisch geheim. Terwijl Geert in krakkemikkig Indonesisch de gelofte van eeuwige trouw aflegde, had hij Tarek lang en diep in zijn bruine amandelvormig ogen gekeken. Nog nooit was hij zo gelukkig geweest. Alles had hij voor deze straatjongen over. Met Tarek aan zijn zijde zou hij zijn grote droom om Rode Kruis verpleger te worden ergens in het Midden-Oosten waar gaan maken.

Maar op de dag van zijn vertrek terug naar Nederland (Geert moest in Den Haag eerst nog wat formaliteiten regelen voordat hij zijn bruidegom naar Nederland kon laten over vliegen met Garuda airlines) wierp Tarek op het strand van Soekaboemi zijn hoofd wild in zijn nek. Hij zwiepte zijn lange zwarte lokken driest heen en weer en verscheurde het huwelijkscontract in 1001 stukjes. Ineens wilde hij per se een Hollywood leven. Zoals Alexis uit Dynasty: 8 keer trouwen, elke keer met een andere man. Of Elizabeth Taylor: 8 keer trouwen, elke keer met dezelfde man. Welk van de twee wist hij nog niet. Maar voor settelen, schreeuwde hij terwijl hij de trouwring van zijn trouweloze vinger schoof en met een dramatische gebaar de zee inwierp , was het in ieder geval nog veel te vroeg.

*  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *

Geert bergt het vergeelde zwart-wit portret van zijn eerste huwelijkspartner op in de privé-kluis op zijn werkkamer,vergrendelt de verzwaarde deur en kijkt op zijn horloge. 19.16. Nog een klein uur. Dan geeft hij een persconferentie geven in café de Tijd aan het Plein in Den Haag. Hij worstelt met teleurstelling. Zijn Partij heeft het in de gemeenteverkiezingen niet zo goed gedaan als gehoopt. Minder stemmen in Almere. Een zetel minder in Den Haag.

Hoe anders kan een leven lopen, denkt hij. Door het raam van zijn kamer staart hij naar het plein op het Binnenhof. Zijn grijze leermeester van het eerste uur verlaat het hof via een zijuitgang. Geert herinnert zich het kleine kamertje zonder ramen waar hij ooit begon als beleidsmedewerker van de VVD fractie. Van zijn politieke vader leerde hij dat politiek bedrijven een vorm van liefde bedrijven is. Een sm spel. Eerst haal je uit met een gewaagde uitspraak. “Hoofddoekjes, ik lust ze rauw” bijvoorbeeld. Rek je de grenzen op van het betamelijke. Je politiek correcte tegenstander reageert als door een wesp gestoken dat je nu toch echt te ver bent gegaan. De media, altijd dol op een rel, stort zich op de bitch fight. Intussen heb jij je punt gemaakt via de woede van je opgewonden opponent. Niet zo zeer je boodschap is belangrijk maar de echo van je geluid. En die echo, die kan ver reiken. Tot ver voorbij de electorale schare die je politieke moed bewonderen. Tot ver over de landelijke grenzen.

Een klop op de deur van een niet onaantrekkelijke beveiliger. Vijf minuten voor vertrek. Geert is zenuwachtig. Voordat hij een flinterdunne menthol sigaret opsteekt, neemt hij een aardbeienkauwgompje. Vaste gewoonten, daar houdt hij van. Houvast. Rituelen. Voor de spiegel boven de porseleinen wasbak legt hij een nieuwe knoop in zijn stropdas. Een licht effen kleur. Altijd. In combinatie met een donkergrijs pak, een wit overhemd en zwarte schoenen.

Herkenbaarheid. Controle. De uitstraling van onverzettelijkheid. Daar gaat het om. Dat willen de mensen zien. Een standvastige leider die zijn woorden nooit terugneemt. Ook binnen de Partij duldt hij geen tegenspraak. Hij zet de koers, niemand anders. De valse nicht in hem kan hij kwijt in de verdeel-en-heersstrategie die hij in de fractie toepast. Partijgenoten afwisselend paaien om ze vervolgens achter hun rug te beschimpen. Het zorgt voor de sekte- achtige sfeer waarin hij gedijt. Iedereen afhankelijk houden van de Leider die alles bepaalt. De diva zijn die opleeft in het spotlicht.

Een laatste kam door zijn gebleekte haar. Als jonge twintiger, net terug uit Indonesië met een gebroken hart, had hij zijn kwart indo haar blond laten verven bij een dameskapsalon achter Utrecht centraal station. Zijn woede en verdriet over zijn gestrande huwelijk verbijtend in de kappersstoel, onderging hij een rigoureuze peroxide behandeling. Het was zijn handelsmerk geworden. Een dorre bos haar, wit heet golvend op zijn hoofd. De schilferende hoofdhuid nam hij maar wat graag op de koop toe.

Want niemand wist dat zijn blonde Mozart coiffure een seinlicht was in de nacht. De hoogglans van zijn blonde haar. Zijn internationale politieke carrière. De media-aandacht. Het was allemaal één groot schreeuw om de Marokkaanse straatjongen met de toverfluit aan de andere kant van de wereld.

De kamer uit, omringd door gespierde beveiligers met oortjes, op weg naar de gepantserde wagen. In de wandelgangen van het gebouwencomplex passeert Geert andere Tweede Kamerleden. Spindoctors. Beleidsmedewerkers. Hij ziet het wel. Hoe sommigen naar hem kijken. Naar de  zonderlinge eenling die hij in hun ogen is. Een retorische clown die strooit met explosieve uitspraken maar nergens te bekennen is als de rook eenmaal is opgetrokken.

Wie ben je nou echt, hoort hij ze denken. Heb je soms iets te verbergen? Makkelijk tot je doordringen is er in ieder geval niet bij. En je kunt nooit open zijn met jou. Nooit voelen we ons bij jou helemaal op ons gemak. Er is altijd een soort spanning. Want als het je uitkomt, laat je ons zo vallen.

In café De Tijd stapt Geert het podium op. Onder luid gejoel neemt hij plaats achter het spreekgestoelte. Zo’n honderd man in de zaal. Media. Hagenezen met schattige hondjes. Aanhangers van het eerste uur. Gerrit en Loes. Eenvoudige lieden met een gulle lach. De gewone man van de straat.

De camera’s. De microfoons. Ze hebben een erotiserende uitwerking op hem. Geert blaast zich op. Neemt een triomfantelijke houding aan.

Dan ziet hij op de eerste rij een bonkige man zitten. De man draagt een donker T-shirt. Erop staat een gespierde uitspraak van Mohammed Ali: I hit them with punches that bring down the walls of a city. Op zijn linker onderarm de tattoo van een cobra.  Vanaf zijn borstkas likken getatoeëerde vlammen zich een weg omhoog naar zijn pezige nek.

De slang. De vlammen. Zoete nachten in Soekaboemi.

De retorische vraag ontsnapt uit zijn mond.

Even later danst het antwoord in de monden van zijn aanhangers als een brilslang op de toverfluit van een slangenbezweerder.

Natuurlijk minder Marokkanen.

Want in zijn lievelingsland is er maar plek voor één.

P.S.

– Soekaboemi, de geboorteplaats van de moeder van Geert Wilders, ligt in voormalig Nederlands-Indië.

– Voordat GW zijn politieke carrière begon wilde hij volgens een leraar van hem in het tv-programma Reporter verpleger worden.

– GW hertrouwde in 1992 met de joods-Hongaarse diplomate Krisztina Marfai. Toen hij 20 was trouwde hij voor de eerste keer. Over dit huwelijk is weinig meer bekend dan dat het kort duurde.

Je kunt een hoop zeggen over een slaaf maar een ding heeft ie wel: werk

Afbeelding

Featured Image -- 132

(foto: Viviane Sassen)

 

Deze week zag ik 12 years a slave in een Utrechtse bioscoop. De film van regisseur Steve McQueen, die dit jaar de Oscar won voor beste film, is gebaseerd op de gelijknamige autobiografie van Solomon Northup uit 1853. Ik bekeek de film samen met mijn zus en mijn vader, een zwarte CuraÇaoënaar die begin jaren ’60 naar Nederland kwam op werkstage, verliefd werd op mijn Hollandse moeder en besloot te blijven tussen de makambas.

De film laat er geen twijfel over bestaan wat het voor Solomon Northup betekende om slaaf te zijn: een zwart beest. Geen mens. Een ding. Blank bezit. Naar gelieve af te ranselen, te verkrachten, op te hangen, te verminken en te vernederen.

Achterin de zaal zat mijn zus tussen mij en mijn vader in. Terwijl de film bezig was, boog ik af en toe zo onopvallend mogelijk naar voren in mijn stoel en observeerde het kijkgedrag van mijn vader. Het was mijn idee geweest om hem naar 12 years mee te nemen voor zijn verjaardag. Het leek mij en mijn zus passend met hem een film te zien over een stuk geschiedenis waar onze huid de zichtbare stempel van droeg. Ook onze voorouders, gelijk die van Solomon Northup, waren als slaven uit West Afrika weggevoerd. De zijne waren te werk gesteld op katoenvelden en suikerrietplantage in Amerika. De onze, mogelijk via Suriname, op de zoutpannen en aloëvelden van de Benedenwindse Eilanden.

Onderuitgezakt in zijn rode bioscoopstoel, zijn handen plat tegen elkaar aangedrukt vlak voor zijn mond, was mijn vader getuige van de kern scène, een prachtig, minutenlang shot waarin Northup met een touw om zijn nek aan een dikke lange tak hangt, zijn tenen nog net de grond raken, het plantagelandschap om hem heen weelderig in bloei staat, slavenkinderen even verderop in het malse gras spelen en slavenvrouwen met volle wasmanden aan Northup voorbijlopen omdat ze hem niet kunnen/mogen/durven helpen, behalve een jonge slavin die hem steels een slok water brengt terwijl hij, de gelynchte slaaf, tot zonsondergang als bitter fruit aan de boom bungelt.

We liepen de bioscoop uit. Mijn vader zei niet veel over de film, buiten het feit dat hij ‘m goed vond.  Ergens was ik teleurgesteld in zijn reactie. Had ik gehoopt dat de film en het onderwerp meer bij hem zou losmaken. Emotie, discussie, iets.

We sloegen rechts af, langs de gracht en staken de Janskerkhof over in de richting van het Indiaase restaurant dat mijn zus en ik op het oog hadden voor een verrassingsetentje. Ik liep voorop, verzonken in mijn eigen gedachten. Achter me maakte mijn zus mijn vader attent op Django unchained van Tarentino, een film die meer indruk op haar had gemaakt dan 12 years omdat er meer zwarte humor inzat.

Waarom, vroeg ik me af, was de reactie van mijn vader zo belangrijk voor mij? Waarom wilde ik hem zo nodig meenemen naar een film als 12 years, los van de geschiedenisles?  Hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik moest toegeven dat de film een stomp was, verpakt als verjaardagscadeau. Een indirecte manier om mijn vader het verwijt te maken dat mijn relatie met hem kleurde als een rode draad . Een verkapte poging hem te confronteren met de slaaf in hemzelf.

Die slaaf had ik als kind horen zeggen dat ik niet in bomen moest klimmen omdat we al genoeg opvielen in het dorp.

Die slaaf maakte zich in blank gezelschap intuïtief klein omdat het hem met de paplepel was ingegoten dat blanken beter waren dan zwarten door zijn CuraÇaose moeder, die nog gestreken en schoongemaakt had in de chique huizen van de witte ingenieurs achter de omheinde muren van het oliedorp bij de raffinaderij met de eigen winkels en tennisbanen en geasfalteerde wegen, ontoegankelijk voor de lokale bevolking en de zwarte contractarbeiders, die in lemen kunukuhuisjes leefden, ver weg van de blanke artsen en de blanke advocaten en de blanke nonnen en de blanke gouverneur, en cactussoep aten en hun laatste centen vergokten aan illegale hanengevechten.

Die slaaf, ver weg van zijn familie, cultuur en omgeving, was minder bezig met leven dan met overleven. Hij werd geweigerd in discotheken. Trouwde een blanke vrouw die zijn taal niet sprak en zich niet verdiepte in zijn eigen cultuur. Werd vader van een zoon die hem als schuldige aanwees voor het feit dat hij anders was dan alle andere kinderen in het dorp.

En iemand die zich een vreemde voelt in zijn eigen huis, voelt zich op een of andere manier verraden. Hij bungelt aan een touw dat steeds strakker om zijn nek wordt getrokken. Zijn huwelijk glipt tussen zijn immigranten handen door. Zijn vrouw loopt stilzwijgend aan hem voorbij met een mand vol was. En zijn zoon speelt iets verderop bij de boom en krast de stam vol met verwijtende woorden die hij niet begrijpt.

Die slaaf vond jaren later zijn weg in een dialoog tussen de jarige zoon Daniel en zijn werkloze vader Richi in mijn theaterstuk Daniel en de duivel:

DANIEL pakt het cadeau uit, een ingelijste zwart-wit foto.

DANIEL Wie is dit?

RICHI Familie. Cephas Duarte Schoop. Hij was slaaf.

DANIEL Hoe kom je hieraan?

RICHI CuraÇao. Historisch archief.

DANIEL Hoe weet je dat hij familie is?

RICHI Dat heeft een oom van je uitgezocht.

DANIEL staart naar de foto.

DANIEL Wat moet ik hiermee?

RICHI Wat moet ik hiermee? Het is wie je bent. Hij zit in jou en jij in hem.

DANIEL Eens een slaaf altijd een slaaf. Is dat wat je wilt zeggen?

RICHI We are here cause they were there. Vergeet dat nooit.

DANIEL Wat verwacht je nou van me?  Dat ik hier blij mee ben? Trots? Op een familieslaaf?

RICHI Je eigen bloed, pendieu.

DANIEL En dat van jou. Doe je voordeel ermee pa. Je kunt een hoop zeggen over een slaaf maar een ding heeft ie wel: werk.

*

Aan tafel in restaurant Indiaport bestellen we in kokosmelk gekookte rijst met amandelen en garnalen. Mijn vader zit weer eens op de praatstoel. Hij vertelt dat hij liever niet in Spanje of Frankrijk op vakantie gaat omdat hij daar geweigerd wordt in hotels en de blanken die later binnenkomen in de lokale restaurants hun eten eerder krijgen uitgeserveerd dan hij.

Een goede prater is nog geen goede luisteraar. Ik hengel naar zijn aandacht en vang een vis zonder graat. Als mijn zus iets verteld over de school waar ze lesgeeft, gaat hij niet in op wat ze zegt, maar praat aan een stuk door. Dat doet hij gedeeltelijk uit een diepgeworteld soort onzekerheid. Hij doet het ook omdat hij geniet van ons samenzijn. Inwendig glundert hij. Dat zie ik aan de manier waarop hij naar ons kijkt. Hoor ik aan de half mislukte grapjes die hij maakt. Liefdevol in hun onhandigheid.

De slaaf in mij is het kind dat zich ophangt aan een gehoopte vader.

 

Ex

Standaard

Ken je dat?

Plotseling zie je Haar. Ze loopt recht op je af. In de Voetboogsteeg op een rustige zondagmorgen. In het gangpad van een biologische buurtwinkel. Of je draait je om aan een bar. Of voor een abstract schilderij in het Stedelijk vlak voor sluitingstijd. En ineens staat ze voor je. Totaal onverwacht.

Ooit zette ze je in vuur en vlam. Toen liet ze je alleen af fikken. Omdat ze toch iets anders voelde voor jou dan jij voor haar.  Omdat ze het rugzakje van jullie half geheime relatie niet langer wilde dragen. Omdat ze op dat moment in haar leven andere prioriteiten had.

Misschien was ze een directe collega van je. De juf van je jongste dochter. Of zat ze in een andere leeftijdsfase. Misschien hadden jullie hooguit iets stormachtigs.  Een echte relatie kun je het toch moeilijk noemen als je niet eens een keer een weekendje weg bent geweest samen. Daarvoor was wat jullie hadden te veel gebouwd op gestolen uurtjes. Of hoe noem je iets dat ophield voordat het goed en wel begonnen was?

Maar als je eenmaal met Haar danste bij het licht van het kosmische vuurwerk dat je samen ontstak, had de tijd geen recht van spreken meer.

Misschien ben je nog één keer bij haar thuis geweest. Een orchidee van een vrouw deed voor je open.  Een zeldzame ijsvogelsoort die met uitsterven wordt bedreigd. Onnavolgbaar vaak in haar grapjes. Onbedoeld pijnlijk soms in haar opmerkingen ( “ in het begin is het altijd leuk” ). Oneindig fascinerend de doorkijkjes op het labyrint van haar ziel en zaligheid.

Misschien belandde je bij haar in bed toen, die allerlaatste keer. Kwam en ging je op het zelfde moment. Proef je de nasmaak van haar lakens weer in je mond nu haar hemellichaam weer op je afkomt.  Verdwijn je weer in de Chinese kalligrafie van haar mond.  Raak je opnieuw betoverd door de ravissante drieklank van haar billen, benen en heupen.

En je had nog wel zo verschrikkelijk je best gedaan haar te vergeten. Let it go, de Oscar winnende titelsong  van Frozen, staat op repeat op je ipod.  Want je weet dat jouw grootse meeslepende passie voor haar geen levensvatbaarheid meer heeft. Urenlang heb je voor haar deur op haar gewacht met vlindervleugels om je schouders uit de feestwinkel, een Venetiaans vogelmasker op en knipperende hartjes op je revers, net zo lang tot ze thuiskwam en je midden op straat op je knieën haar je hopeloze liefde verklaarde. Je hebt bloemen,boeken en kaarten gestuurd. Een Valentijnsontbijt laten bezorgen. Je gebroken hart uitgestort in liefdesgedichten en romantische what’s app icoontjes.

Ze kijkt je aan nu.  Haar ogen helder en sereen als donker bergkristal. Je ogen schreeuwen het uit van de pijn. Nog steeds maak je geen schijn van kans tegen Haar ogen van de Toekomst. Nog steeds wordt je als vanzelf meegezogen in de baan van Haar hemellichaam.

Uit een onderhuidse vulkaan schiet lava omhoog.  Het brandt en siddert en kookt in mijn bloed.  Dan, met een sisser, stolt het in mijn gezicht. Mijn mond, enigszins afgekoeld, barst open in een scheur.  En vanaf mijn vulkaaneiland,  afgesplitst van Haar continent, hoor ik mezelf zeggen: ‘Goed. Met jou?’

No fucking way!

Standaard

November 2013. Gesprek met mijn redacteur bij Van Oorschot. Locatie: uitgeverskantoor Herengracht. Aanleiding: na anderhalf jaar buffelen is draft nummer drie van mijn debuutroman klaar. Werktitel: In limbo. Aantal pagina´s: 350. Honderd meer dan afgesproken.

Ik ben hoopvol. Na 50 afwijzingsbrieven van uitgeverijen en schrijfwedstrijdjury´s, 3 ongepubliceerde romans, 7 toneelstukken, 1 hoorspel, 1 novelle, het mede oprichten van eigen theatergroep tgDakota en het ontvangen van de El Hizjra literatuurprijs 2008 gaat het dan eindelijk gebeuren.

Nog een paar puntjes op de i. Geen grote inhoudelijke veranderingen meer. Hoogstens drie, vier maanden werk nog. En dan, 13 jaar nadat ik de pen oppakte, met Bloed, zweet en tranen, op z´n Hazes, ligt mijn eerste boek in de winkel.

Ter voorbereiding heb ik:

1) in september een prijzige social media strategy training gevolgd bij Mediametics.

2) In samenwerking met de geweldige grafisch ontwerper Aart- Jan Bergshoeff ligt er een cover voor het boek klaar waar de Gorillaz u tegen zeggen.

3) (fb) Vrienden, familie, collega´s en bekenden staan klaar in de startblokken om mijn boek gevraag of ongevraagd door de strot te duwen van hun Gigantische Netwerk.

Wat blijkt? NO FUCKING WAY! Mijn redacteur is na 10 pagina´s gestopt met lezen. Hij ziet door de bomen het bos niet meer, zegt hij. Te veel verhaallijnen. Te veel tijdsprongen. 9/11 met de haren erbij gesleept. Jij hebt last van wat ze noemen divergerend schrijverschap. Prop geen 6 boeken in 1 boek. Maak keuzes. Waar gaat je boek nou eigenlijk over, pal?

Een zwart gat van eindeloze herschrijvingen en middernachtelijk plak en knip werk doemt voor me op. Ik dreig erin te worden opgeslokt. Intussen knipper ik met mijn ogen en kijk mijn redacteur vriendelijk aan. ´Vaders en zonen´, antwoord ik met een schril soort kalmte. ´Ja, daar gaat het over.´

Drie maanden later. Mijn roman ligt in de ijskast (mijn redacteur weet nog van niks). Ik ben begonnen met de eerste van 12 korte verhalen. Vandaag start ik deze blog.

Waarom?

Als virtuele flessenpost van een schrijver in limbo, een vader, een vriend, een minnaar, een Paradiso barman, een broer, een buurtgenoot, een Amsterdammer, een kind van een Nederlandse moeder en een Antilliaanse vader, een film/muziek/boekliefhebber, een wereldreiziger, een wereldburger, een human work in progress.

Opdracht:

Blogposts  die een fictieve en persoonlijke ingang bieden tot de actualiteit.

Eerlijk, divers, scherp, openhartig.

Iedere maand primeur van een nieuw kort verhaal.

Suggesties/commentaar/lof/kritiek?DSC_9580

Please shoot!!

 

Grt Julien Ignacio